Inhoud:
- Belangrijke jaartallen:
- Korte biografie:
- Chronologie van het
leven van Maarten Luther
- Legenden rond Luther
- Maarten Luther als
kind en zijn jonge jaren (1483-1501)
- Luther als student in
Erfurt (1501-1505)
- Legenden rond Luther:
De blikseminslag
- Maarten Luther als
monnik (1505-12)
- Maarten Luther als
professor in Wittenberg (1512-17)
- Het aanslaan van de
stellingen en de gevolgen (1517-19)
- Legenden rond Luther:
Het aanslaan van de stellingen
- De reacties op de 95
stellingen
- De gebeurtenissen tot
1519
- Bedreiging met de ban
en verbranding van de bul waarin hij met de ban bedreigd werd (1520/21)
- Legenden rond Luther:
Luther en bomen
- Luther op de rijksdag
te Worms (1521)
- Luther op de Wartburg
(1521/22)
- Legenden rond Luther:
De worp met de inktpot
- Johannes Gutenberg en
de boekdrukkunst
- Luthers terugkeer
naar Wittenberg (1522-25)
- Luthers huwelijk met
Katharina van Bora (1525)
- Luthers rol bij de
godsdienstgesprekken
- Luthers laatste
levensjaren (1540-46)
- Luthers sterven (1546)
- Het Lutherlied
- Belangrijke personen
rond Luther
- Mevrouw Luther,
Katharina von Bora.
- Philippus Melanchton
- Lucas Cranach de
Oudere
- Frederik de Wijze
1483
(10.11.) Geboorte in Eisleben
1497 Magdeburg school "Broeders des gemenen levens"
1501 Aanvang rechtenstudie in Erfurt
1505 intrede als Augustijner Monnik in Erfurt
1506 afleggen van de gelofte als monnink
1507 Inwijding tot priester in Erfurt (Mariadom)
Aanvang van de studie theologie
1512 Doctor in de Theologie te Wittenberg
1514 Beroep tot predikant aan de Wittenberger
Stadtskirche
1517 Het aanslaan van de stellingen
1521 Ban en vlucht op de Wartburg
1522 Terugkeer naar Wittenberg
1525 Huwelijk met Catharina van Bora
1534 Uitgave van de Bijbel in de Duitse vertaling 1546
(18.02.) Sterven in Eisleben
naar
begin
Korte biografie:
Geboren 10-11-1483 te Eisleben, als zoon van de
mijnwerker Hans Luther,
Gestorven.18-2-1546 Eisleben;
Trad ten gevolge van een bij een zwaar onweer
afgelegde gelofte op 17 juli 1505 in in de kloosterorde van de
Augustijner Heremieten, waar hij in het jaar 1507 tot priester gewijd
werd.
In het jaar 1512 promoveerde hij te Wittenberg tot
doctor in de theologie.
Zijn eerste colleges over de Psalmen hield Luther in
de jaren 1513-1515, van 1515/16 volgden colleges over de Romeinenbrief
en van 1516-1518 over de Galaten en Hebreënbrief.
De afkondiging van de aflaat waarvan de opbrengst
bestemd was voor de bouw van de St. Pieterskerk te Rome (circa 1516)
door de Dominikaan J. Tetzel, die als een marktkoopman te werk ging,
riep bij Luther protest op.
Luther brengt zijn bewaren onder woorden in 95
stellingen, die hij op 31 oktober 1517 ten behoeve van een dispuut met
geleerden in Wittenberg liet aanslaan en aan de aartsbisschop van
Mainz stuurde met de uitnodiging hier schriftelijk op te reageren.
Luthers stellingen werden, voor hem zelf onverwachts,
ongekend wijd verspreid. Reeds in 1518 dienden de aartsbisschop van
Mainz en de Dominicanen klachten in Rome in. In het verhoor door de
kardinaal-legaat Th. Cajetanus de Vio in oktober 1518 in Augsburg
weigerde Luther ook maar iets te herroepen. Tijdens het dispuut te
Leipzig in juli 1519 tussen J. Eck en A. Karlstadt verzette Luther zich
tegen de gedachte dat de algemene Concilies niet kunnen dwalen. Vanuit
zijn leer van de rechtvaardiging volgde automatisch kritiek op het
pausdom, dat volgens Luthers opvatting over de goede verstaanbaarheid
van de Schrift heenstapte. De bul "Exurge Domine" van 15 juni 1520
eiste zijn onderwerping. Luther antwoordde met de publicatie van zijn
3 grote geschriften, waarin hij zijn gedachten ontvouwde, "Aan de
Christelijke adel van de Duitse natie" (augustis 1520), "Van de
Babylonische Ballingschap der Kerk" (oktober 1520) en "Van de vrijheid
van een Christen" (november 1520), waardoor hij het grootste deel van
het Duitse volk voor zich inwon.
De pauselijke bul, waarin hij veroordeeld werd, werd
door hem op 10 december 1520 plechtig verbrand.
Op 3 januari 1521 wordt Luther door paus Leo X
geëxcommuniceerd.
Tijdens de Rijksdag te Worms in april 1521 weigerde
Luther te herroepen en zich zwijgend te onderwerpen aan een algemeen
Concilie; keizer Karel V deed hem daarop in de rijksban.
Keurvorst Frederik de Wijze van Saksen liet Luther na
een in scène gezette overval op de Wartburg brengen, waar de
vertaling van het Nieuwe Testament ontstond, die in 1522 gedrukt
verscheen en in 1534 door de vertaling van het Oude Testament werd
gecompleteerd. Tijdens het verblijf op de Wartburg ontstonden op veel
plaatsen Lutherse gemeenten. Zijn geschrift tegen de gelofte van de
monniken bracht talloze monniken en nonnen er toe het klooster te
verlaten.
De boerenopstanden, die in de jaren 1524/25 overal in
het rijk uitbraken, beriepen zich vaak op Luthers leer, maar de
gruweldaden, die begaan werden, brachten hem, nadat hij in het begin
begrip voor de bedoeling van de onder rechtsonzekerheid lijdende
boeren had opgebracht, er toe de vorsten "Tegen de roofzuchtige en
moordzuchtige boeren" tot aktie op te roepen.
Op 13 juni 1525 trouwde Luther met de voormalige
Cisterzienser kloosterzuster Katharina von Bora.
De tegenstelling tussen Huldrich Zwingli en de
Wederdopers kwam nu scherper naar voren. Het Godsdienstgesprek te
Marburg (1529) met Zwingli leidde slechts gedeeltelijk tot
overeenstemming, omdat Luther aan de reële tegenwoordigheid
van Christus in het Avondmaal vasthield.
Om het volk te onderwijzen schreef Luther in 1529 de
"Kleine Catechismus", voor de predikanten de "Grote Catechismus".
Tijdens de Rijksdag te Augsburg in 1530 boden meerdere
evangelische rijksstanden hun voornamelijk door Melanchthon geschreven
belijdenisgeschrift ("Confessio Augustana", "Geloofsbelijdenis van
Augsburg") aan.
In 1539 stelde Luther in het geschrift "Van de
Concilies en de Kerk" zijn visie op de kerk voor. Hij ontkende niet de
mogelijkheid van zalig worden voor Rooms-Katholieke Christenen binnen
een door de paus geleide kerk, maar hij legde hij wel de vinger bij de
wortels van de kerk in Woord en Sacrament, zonder dat er mensen aan te
pas komen.
In de laatste jaren van zijn leven wijdde Luther zich
aan opbouw van de gemeenten.
De geschriften en de Bijbelvertaling van Luther hebben
tot de verbreiding en doorbraak van een algemeen gebruikt Hoogduits
wezenlijk bijgedragen. Zijn taal was gestempeld door de stijl van de
meeste kanselarijen en de middeleeuwse bekeringsliteratuur.
Het hart van Luthers theologie klopt in de leer van de
rechtvaardigmaking, die Christocentrisch moet worden uitgelegd.
In zijn geniale uitleg van de Bijbel is een keur aan
theologische vernieuwingen vastgelegd, die zich moeilijk in een
systeem laten vangen. In een onverbiddelijk worstelen om de waarheid
van de openbaring van God in Christus was Luther ook de wegbereider van
de problematiek van de nieuwe tijd (Wereld en mensbeschouwing).
Op politiek en sociaal terrein in het geheel niet
principieel behoudend, past Luther toch in veel opzichten binnen het
raamwerk van de 16e eeuw (Driestandenleer).
Hij zag zichzelf als leraar in de heilge Schrift, niet
als hervormer van de kerk of de staat in het kader van de toenmalige
ordening van de maatschappij.
naar
begin
De aard van de geschriften en het spreken van Maarten Luther als ook de
verhouding van de Reformator tot zijn omgeving hebben gedurende de tijd
van zijn leven grote veranderingen ondergaan. Het leven van Luther laat
zich in vier grote perioden onderverdelen.
De eerste periode van
zijn leven, die de tijd van Luther als kind, zijn tijd op de
universiteit en zijn tijd als Augustijnermonnik omvat, is vooral door
het zoeken naar godsdienstige kennis te typeren. Luther wordt later
professor aan de iniversiteit van Wittenberg.
Wanneer hij eindelijk
tot het beslissende inzicht komt, ziet hij, dat in de wereld en de kerk
veel gebreken zijn ontstaan. Hij gaat tegen de misstanden in de kerk te
keer en maakt daarbij heftige reacties los.
Daarop moet Luther zich
op aanwijzing van zijn keurvorst op de Wartburg verbergen, de beweging
van de Reformatie heeft echter al enige machtigen van het land gegrepen
en is niet meer te stuiten. Luther kan naar Wittenberg terugkeren om
zijn tegenstanders te bestrijden en zijn ideeën in de
praktijk om te zetten.
In de laatste jaren is
de Reformator weliswaar niet minder slagvaardig, maar toch vertonen
zich nu ook lijdzaamheid en zijn neiging tot woedeuitbarstingen in de
geschriften van de ouder wordende Reformator.
naar
begin
Natuurlijk vormt een persoon, die zo zeer ter
discussie staat als de Hervormer Dr. Maarten Luther, een ideale
voedingsbodem voor het ontstaan van anecdoten en legenden.
Daarbij leefde hij in een tijd, waarin het geloof aan heksen en de
duivel, aan bovennatuurlijke gebeurtenissen en het op handen zijnde
einde van de wereld onder het volk wijd verbreid waren.
Weliswaar is de waarheid van de meeste legenden gering, maar de graad
waarin ze vermakelijk zijn niet.
Maarten Luther...
... beloofd onder bliksem en onweer om monnik te worden
... slaat de 95 stellingen aan op de deur van de
Slotkapel
... vecht op de Wartburg met de duivel
Keizer Karel V bij het graf van de Reformator
Luthereik, Lutherlinde, Lutherbeuken en een
appelboompje
"Hier sta ik en kan niet anders! God helpe mij, amen!
naar
begin
Maarten Luther (geboren als Maarten Luder: hij noemt zich later Luther)
werd op de 10e november 1483 in een wereld vol spanningen geboren
(Geboortehuis). Grote veranderingen zaten in de lucht, ook hij zou een
belissende bijdrage aan deze veranderingen leveren...
Luthers vader, een boerenzoon, trekt in het jaar 1484 kort na de
geboorte van Luther van Eisleben naar Mansfeld en probeert daar het
bestaan van het gezin, door deel te nemen in de kopermijnbouw, te
verbeteren. Dit bereikt hij ook: reeds in 1491 wordt de familie onder
de belangrijkste van de stad Mansfeld gerekend.
De moeder van Luther, Margarete Luder, heeft een groot aantal kinderen
te verzorgen en gaf Luther een strenge opvoeding.
Hij bezoekt in Mansfeld de Latijnse school, waar nog Middeleeuwse,
barbaarse leermethoden gehanteerd worden. Luther wordt als een stille,
terughoudende en door de strenge orde bedeesde, maar toch erg begaafde
scholier, beschreven.
In 1497 gaat Luther naar Magdeburg naar de school van de "Broeders des
Gemenen Levens" en van daaruit in 1498 naar Eisenach naar familieleden
van de Luthers. Daar studeert hij op de stedelijke parochieschool te
Eisenach.
De
financiële situatie van de familie staat het toe, dat Luther
in 1501 een studie aan de universiteit te Erfurt beginnen kan. Vader
Hans Luther hoopt zijn begaafde zoon met de rechtenstudie aan een goed
bestaan als jurist te helpen.
naar
begin
De reeds in 1392 gestichte universiteit van
Erfurt behoort in deze tijd tot de belangrijkste Duitse universiteiten.
Dit zal er de reden van geweest zijn, dat Luthers vader deze plaats
voor zijn zoon uitkoos.
Men moest in de tijd van Luther, voordat men naar een hogere faculteit
kon gaan, eerst de zogenaamde zeven vrije kunsten leren. Dit doet
Luther ook en hij krijgt in het jaar 1502 het baccalaureaat, de eerste
academische graad. In het jaar 1505 wordt hij magister. De trotse vader
hoopt nu, dat de rechtenstudie even goed zal verlopen en zijn zoon
spoedig een voorname positie als jurist zal bekleden.
Luther echter - zo gaat het verhaal - doet in een storm op de 2e juli
1505 een gelofte om monnik te worden. Dit doet hij tot verassing van
zijn vrienden, die hem als levenslustige kameraad kenden. Tot boosheid
van zijn ouders treedt hij in in de bedelorde van de Augustijnen in het
Erfurter klooster.
naar
begin
"Help, heilige Anna, ik wil een monnik worden!"
Een gebeurtenis, die het leven van Luther ingrijpend veranderde, vond
op de 2e juli 1505 bij Stotterheim plaats. Deze moet uit de
levenslustige student in de rechten een ootmoedige, naar de genade van
God zoekende monnik maken. Luther, die juiste de graad van magister
verworven had en nu een studie in de rechten gestart was aan de
iniversiteit van Erfurt, was op de terugreis van een bezoek aan zijn
ouders in een zware storm terecht gekomen. Nog een paar uur van Erfurt
verwijderd, trof hem eem zwaar onweer. In zijn nabijheid sloeg de
bliksem in, en hij werd zelfs door de luchtdruk tegen de grond
geslingerd. In dit ogenblik riep hij de heilige Anna aan en hij deed
een gelofte: "Ik wil een monnik worden."
Luther heeft later nog
meerdere keren over deze gebeurtenis gesproken.
Ook wordt voor zeker gehouden, dat hij reeds voor de ervaring in de
storm met de gedachte, om monnik te worden, gespeeld heeft.
Tot woede van zijn vader lost hij de gelofte ook in: op 17 juli begeeft
Luther zich in het Zwarte Klooster te Erfurt en wordt hij monnik.
naar
begin
Op het bij die storm genomen om monnik te worden
komt hij ook niet terug, wanneer vrienden en vooral zijn vader de
succesvolle student en aankomende jurist proberen op andere gedachten
te brengen. Hij gaat in het jaar 1505 in het klooster van de
Augustijnen te Erfurt, waar hij in 1506 zijn gelofte als monnik aflegt.
Het
leven als monnik was in de tijd van Luther zwaar, het bestond uit
vasten, bidden en werken. De dag van de monniken begon om 3.00 uur met
de eerste gebedstonde. Deze tijd vormt Luther sterk, vooral wordt hij
hier sterk op de Bijbel betrokken, hetgeen zijn latere bezig zijn en
zijn toekomstige geschriften zal typeren. In 1507 wordt Luther in
Erfurt tot priester gewijd. In dit jaar begint hij ook zijn studie in
de theologie te Erfurt. Hij bestudeert de scholastiek, komt echter met
de gedachten van de humanisten in aanraking, ook begroet hij hun
oplossing 'Ad Fontes!' - terug naar de bronnen.
Voor hem betekende dit vooral het bestuderen van de Griekste en
Hebreeuwse bronnen van de Bijbel (Bijbelhumanisme).
naar
begin
Luther, in 1512 doctor in de theologie geworden,
krijgt nu aan de Wittenbergse universiteit "Leucorea" de leerstoel in
de Bijbelse theologie. Hij houdt colleges over de Psalmen (1515/16),
de Brief aan de Galaten (1516/17) en de Brief aan de Hebreën
(1517/18).
Deze tijd wordt door een hevig worstelen om geloofskennis gekenmerkt.
Het voor hem beslissende licht in het geloofsleven moet hij bij het
nauwkeurige bestuderen van de Brief aan de Romeinen gekregen hebben:
De mens bereikt de gerechtigheid alleen door de genade van God, niet
door de goede werken (Rom. 1, 17): "Want gerechtigheid Gods wordt
daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven staat: De
rechtvaardige zal uit geloof leven."
Luther kwam, zoals hij zelf vertelt, tot dit voor hem beslissende
inzicht in de studeerkamer van zijn kloostertoren te Wittenberg. Het
tijdstip van dit als " Turmerlebnis" bekend staande voorval is echter
omstreden.
Rond Luther vormt zich nu een kring van theologen, waartoe ook
Nikolaas van Amsdorf en Andreas Bodenstein (Karlstadt) behoren. Ook
wordt Luther in het jaar 1514 als predikant aan de Wittenberger
Stadskerk beroepen.
naar
begin
Sedert 1514 is Luther niet alleen hoogleraar in
de theologie aan de universiteit van Wittenberg, maar ook predikant in
de Stadskerk van Wittenberg. daarmee heeft hij ook voor het "zieleheil"
van zijn gemeente te zorgen.
Hij moet echter
vaststellen, dat veel mensen uit Wittenberg niet meer bij hem komen om
te biechten, maar in plaats daarvan naar de Brandenburgse of Anhaltse
steden zoals Jüterbog of Zerbst reizen, om daar aflaatbrieven
(vooral de Petrusaflaat) te kopen.
De praktijk van de aflaatverkoop, die als het ware in de plaats van de
biecht kwam, en waarmee men voor zichzelf het zieleheil kon kopen, is
volledig in strijd met Luthers overtuiging. Hij gelooft er immers vast
in, dat ieder mens zich levenslang in ootmoed behoort toe te vertrouwen
aan Gods genade.
De handel met
aflaatbrieven neemt vooral sedert het jaar 1507 dramatisch toe, omdat
de Curie in Rome en bisschop Albrecht van Brandenburg, aan wie in
Duitsland de aflaathandel is opgedragen, in steeds groter geldnood
raakten.
Daarbij komt nog, dat
de Dominicanermonnik Johan Tetzel, welke in Anhalt en Brandenburg de
aflaten verkocht, zijn "werk" als een marktkoopman doet en dat over het
laatste ook veel verhalen in omloop raken. Zo wordt verteld, dat men
bij Tetzel ook de zonden van mensen die al gestorven waren kon laten
uitdelgen.
Ook uitspraken van
Tetzel, zoals "Als het geld in het kistje klinkt, het zieltje
in de hemel springt", riepen bij Luther protesten op.
Reeds voor 31 oktober 1517 heeft Luther zich in
preken tegen de aflaathandel uitgesproken. Maar op deze dag schrijft
hij, nadat hij een geschrift met richtlijnen voor aflaathandelaars
gelezen heeft, aan zijn kerkelijke meerderen. Hij hoopt daarmee deze
misstand te kunnen opheffen. Aan de brief voegt hij 95 stellingen toe,
die als uitgangspunt voor een dispuut over dit onderwerp moesten
dienen.
Dat Luther op de
betreffende dag zijn stellingen met luide hamerslagen op de deur van
de Slotkapel te Wittenberg gespijkerd zou hebben, behoort
waarschijnlijk tot het rijk der legenden.
naar
begin
Wij schrijven 31 oktober, anno domini 1517: Luther slaat met luide
hamerslagen, die door heel Europa galmen, de 95 stellingen aan op de
deur van de Slotkerk in Wittenberg: Dit is op veel afbeeldingen te zien
en werd tot in onze eeuw als historisch feit erkend. Het is een beeld,
dat - als geen ander - tot het symbool van de Reformatie geworden is.
Het sloeg als een
bliksem in, toen in 1961 de katholieke Lutheronderzoeker Erwin Iserloh
in het openbaar beweerde dat, het aanslaan van de stellingen tot het
rijk der fabelen behoorde.
Toch zijn de aangevoerde feiten volstrekt duidelijk. Ten eerste stamt
de eerste schriftelijke vermelding van deze gebeurtenis van Philippus
Melanchthon, die echter geen ooggetuige geweest kan zijn, omdat hij pas
in 1518 als hoogleraar aan de Wittenbergse universiteit werd
aangesteld.
Tevens verschijnt deze vermelding pas na de dood van Luther; van hem
zelfs is dus geen commentaar op het "Timmerwerk" uit het jaar 1517
overgeleverd.
Weliswaar zouden aan de
deur van de Slotkerk regelmatig aankondigingen voor discussies zijn
aangebracht, maar moet het aanbrengen in het openbaar van de stellingen
zonder een reactie van de bisschoppen af te wachten, als een zuivere
provocatie van de leiders beschouwd worden. Dit mogen we echter een
Luther, die eigenlijk alleen misstanden wilde verbeteren, niet in de
schoenen schuiven.
Ook is op te merken,
dat in Wittenberg geen openbare discussie naar aanleiding van de
stellingen plaatsvond en ook (nog steeds) geen oorspronkelijke uitgave
van de stellingen is aangetroffen.
Dus blijft alleen over
wat zeker is: Luther schreef op de 31e oktober 1517 brieven aan zijn
superieuren, waarin hij de praktijk van de aflaathandel aankaartte en
aanspoorde tot het uit de wegruimen van de misstanden. Bij de brieven
voegde hij 95 stellingen, die als uitgangspunt voor een gesprek over
dit thema moesten dienen.
Weliswaar wordt op het
ogenblik door de meerderheid van de Lutheronderzoekers voor bewezen
gehouden, dat Luther op de bewuste dag niet met de hamer te werk ging,
maar toch is het beeld van het aanslaan van de stellingen nog een van
de meest gebruikte in de omgang met Luther, de Hervorming en de
Lutherstad Wittenberg.
naar
begin
Luther heeft de 95 stellingen buiten de
bisschoppen slechts aan enkele vrienden gestuurd. Daarom verwacht en
krijgt hij ook niet meteen een reactie. Toch zijn reeds op het einde
van het jaar 1517 gedrukte exemplaren van de stellingen in Leipzig,
Nürnberg en Basel in omloop. Er is zowel sprake van een
stormachtige bijval van de kant van de humanistische geleerden, als ook
volledig afwijzing uit vele hoeken van de Rooms katholieke Kerk. Maar
vooral van de kant van de meest bekritiseerde aflaatprediker Tetzel,
die zelfs dodelijke bedreigingen in de richting van Luther geuit moet
hebben en hem reeds "in navolging" van de tot ketter veroordeelde
Johannes Hus op de brandstapel wenst te zien.
De bisschoppen reageren
echter voorlopig nog niet drastisch. Ze berichten de paus over de
"opstandeling" in de eigen gelederen en doen een beroep op de directe
meerderen van Luther matigend op de rebel in te werken. De door Luther
aangekaarte fouten erkennend, begroeten enige bisschoppen zelfs
aanvankelijk de voorstellen tot hervormingen.
naar
begin
Luther ziet zich door de groeiende druk
genoodzaakt zijn stellingen door verdere geschriften nader toe te
lichten en te verduidelijken. Hij zelf uit zich in het jaar 1518 met
het verweer, dat hij met de stellingen alleen maar een misstand wilde
opruimen en niet het hele pausdom uit zijn voegen wilde lichten.
Toch is de lawine nu
niet meer te stuiten. De Curie reageert drastisch op de vermeende
ketter: In 1518 wordt in Rome het proces tegen deze ketter geopend. Dit
blijft echter rusten omdat het land met de regeling van de opvolging
van de overleden keizer Maximilianus bezig is. Na de keuze van karel V
tot keizer wordt de strijd tegen Luther en zijn aanhangers echter
voortgezet.
naar
begin
Door de voortdurende aanvallen van de kant van
de Roomse Kurie wordt Luther er toe gedwongen, zijn geloofsinzichten
tot een zelfstandige theologie te ontwikkelen. Zo werkt hij in de
jaren 1520/21 aan de drie grote reformatorische geschriften "Aan
de Christelijke Adel van de Duitse Natie", "Over de Babylonische
Ballingschap van de Kerk" en "Over de Vrijheid van
een Christenmens" en verwijdert hij zich nu innerlijk
definitief van Rome.
Daarom wordt in 1520
het ketterproces tegen hem weer ter hand genomen. Dit loopt op 15 juni
1520 uit op de bul waarin hij met de ban bedreigd wordt, waarin van
Luther defintief geëist wordt zijn leer te herroepen.
Luther reageert demonstratief: op de 10 december
1520 verbrandt hij de bul ("Exurge Domine") tegelijk met het kerkelijk
wetboek en de boeken van zijn tegenstanders op de plaats, waar zich
tegenwoordig de Luthereik bevindt, waarbij hij geroepen moet hebben "Omdat
jij goddeloos boek de gelovigen van de Heer verdriet aangedaan hebt,
daarom doe jou verdriet en vertere jou het eeuwige vuur".
Dit
gedrag bezegelt zijn definitieve en onherroepelijke breuk met Rome.
De paus spreekt daarop op 3 januari 1521 de banvloek over Luther uit.
De keizer echter ziet
zich gedwongen om Luther te verhoren door de Luther welgezinde stemming
in het land. Ook de invloed van enige vorsten, die de invloed van de
paus op de rijkspolitiek hopen te verzwakken, versterkt deze noodzaak
voor de keizer. Daarom wordt de opstandeling op de Rijksdag naar Worms
ontboden en wordt hem een vrijgeleide toegezegd.
naar
begin
Bomen zijn ten allen tijde en in alle godsdiensten mytologisch geduid
en verklaard - we behoeven slechts aan de "Boom der kennis des goeds en
des kwaads" te herinneren. Ook in de nieuwere tijd werden vele
gebeurtenissen, die met bomen of hun vruchten te maken hebben, tot
verhalen - zo de onder de appelboom zittende Newton.
Zo houden ook veel
"boomverhalen"zich met Maarten Luther bezig, die zich in zijn vrije
tijd graag in de tuin ophield en veel plezier beleefde aan bomen en
bloemen.
Overal worden en
werden Luthereiken, Lutherbeuken of Lutherlinden getoond, die met meer
of minder vastgelegde verhalen verbonden zijn.
Een van de bekendste is
de Luthereik in Wittenberg, waarover ook meerdere
verhalen in omloop zijn.
- De plaats, waar zich tegenwoordig in
Wittenberg de Luthereik bevindt, geeft de plek aan, waar Luther op de
10e december van het jaar 1520 het kerkelijke wetboek, de pauselijke
bul waarin hij met de ban bedreigd werd en boeken van zijn
tegenstanders verbrandde.
- De legende vermeldt het volgende: Een Witteberger
student - een vurige aanhanger van Luther - hield van een meisje,
waarvan de grootmoeder nog steeds aan de oude kerk vasthield.
Op de dag van de verbranding zou de vrouw met haar kleinkind uit
nieuwsgierigheid naar de betreffende plaats gewandeld zijn. Daar
kwamen juist de studenten bij elkaar, die vol geestdrift van Luthers
daden vertelden. De grootmoeder ontstak daarover in woede, ramde haar
wandelstok in de grond en voegde de student toe, dat hij nooit haar
kleinkind zou krijgen voordat deze stok bladeren zou krijgen.
De student plantte nu precies op deze plek een jonge eik. In het
volgende voorjaar vertelde hij de grootmoeder van het "wonder" ...
- De oorspronkelijke Luthereik in Wittenberg - door
wie of wanneer deze ook geplant is - velde men tijdens de
Napoleontische oorlog, om van het brandstofgebrek af te komen.
De huidige Luthereik werd in 1830 geplant en werd in 1904 door een
onbekende ingezaagd.
Heden lijdt de eik het meest onder de luchtvervuiling, maar ook onder
de late gevolgen van deze "aanslag".
Nog meer verhalen spelen zich rond Luther en
bomen af. Een van de bekendste geven we nog door: De beroemde
uitspraak: "Als ik wist, dat morgen de wereld ten onder ging,
zou ik vandaag een appelboompje planten!" wordt Luther in de
mond gelegd.
Het mag echter te denken geven, dat de eerste schriftelijke vermelding
van deze uitspraak eerst in 1944 wordt aangetroffen...
naar
begin
Luther, die als het ware al door de kerkelijke ban tot ketter verklaard
is, wordt door de keizer onder druk van enige vorsten, die probeerden
Luther voor hun doeleinden te gebruiken, naar Worms uitgenodigd. Daar
moet Luther zoals de kerk en ook de keizer het willen zijn leer
herroepen. De vorsten, die Luther steunen, hopen door de op handen
zijnde gebeurtenissen, de politieke macht van Rome in Duitsland te
verminderen.
Ook eist de machtige
keurvorst Frederik de Wijze van Saksen, landsvorst van Luther, dat
Luther niet zonder verhoor in de ban gedaan en gearresteerd wordt.
Luther begeeft zich op 2 april 1521 naar Worms.
Echter reeds de heenreis naar de rijksdag wordt niet de boetegang, waar
de kerk op hoopte. De reis naar Worms lijkt eerder een triomftocht, in
alle plaatsen wordt Luther met grote geestdrift ontvangen.
Hij preekt in Erfurt, Gotha en Eisenach. En ook in Worms, waar hij op
16 april 1521 aankomt, wordt hij door het volk met gejuich ontvangen.
Het optreden van Luther op de rijksdag wordt als
zakelijk, verstandig en bezonnen beschreven. Hij moet tweemaal voor de
keizer verschijnen, iedere keer wordt hem duidelijk voorgelegd, om
zijn leer terug te nemen, maar Luther ziet geen bewijs tegen zijn
stellingen en opvattingen, die hem bewegen kunnen, om zijn stellingen
te herroepen:
"Wanneer ik niet door getuigenissen uit de Schrift en
heldere bewijzen overtuigd wordt; want noch tegen de paus, noch tegen
de Concilies alleen geloof ik, omdat het vast staat, dat zij meermalen
gedwaald en zich zelf tegengesproken hebben, daarom ben ik door de
plaatsen van de Heilige Schrift, in mijn geweten overwonnen en
gevangen in het Woord van God. Daarom kan en wil ik niets herroepen,
omdat tegen het geweten in iets te doen nog veilig noch heilzaam is.
God helpe mij, amen!"
De beroemde woorden "Hier
sta ik en ik kan niet anders!" stammen niet van Luther. Het
werd er waarschijnlijk bij verteld om de geschiedenis boeiender te
maken en haar als groot "voorpaginanieuws" voor te stellen.
Nadat hij de zaal waar de onderhandelingen
plaatsvonden verlaten had, roept hij opgelucht "Ik ben er door." En hij
is er ook door: Luther wordt in vrijheid gesteld en niet gearresteerd,
omdat hem in de brief waarin hem bescherming was beloofd voor 21 dagen
een vrijgeleide was verzekerd. Hij begeeft zich op 25 april 1521 op de
terugreis.
Wanneer hij en de
vorsten die hem steunden Worms verlaten hebben, spreekt de keizer over
Luther de rijksban uit (Het Edict van Worms): hij is nu vogelvrij.
Op de terugreis laat keurvorst Frederik de Wijze Luther op 4 mei 1521
"ontvoeren" (Luther heeft dat van tevoren geweten). Dit gebeurt aan de
ene kant om Luthers veiligheid te garanderen, aan de andere kant om hem
voor korte tijd uit beeld te laten verdwijnen - zelfs het gerucht van
Luthers dood is in omloop. Ook dient deze aktie er voor de keurvorst
vooral toe, zich zelf niet in gevaar te brengen, omdat de vorst zelfs
iemand die in de ban gedaan was en een ketter was bescherming
verleende.
Luther wordt op de
afgelegen Wartburg gebracht en de beweging van de Reformatie heeft tijd
om voet aan de grond te krijgen.
naar
begin
De machtige keurvorst Frederik de Wijze hoopt
Luther door de "ontvoering" voor korte tijd uit de schijnwerpers te
halen en de voortdurende aanvallen op de beweging van de Reformatie
wat af te laten nemen.
Luther leeft nu incognito op de Wartburg: hij noemt zich Jonker
Jörg en "verzorgt zijn hoofdhaar en baard".
Maar Luther lijdt onder de verbanning: "in het rijk van de vogels",
zoals hij het zegt, heeft hij aan verschillende lichamelijke kwalen te
lijden, Ook de vele deels door hem zelf, deels door anderen vertelde
gevechten met de satan, zoals de spreekwoordelijke gooi met de inktpot,
zouden het hem in deze tijd erg moeilijk gemaakt hebben...
Zo wijdt Luther zich aan een nieuwe opgave: hij
vertaalt in slechts elf weken het Nieuwe Testament uit het Grieks in de
Duitse taal. Het werk, dat later nog door Melanchthon en andere
deskundigen bewerkt werd, verschijnt in het jaar 1522 in gedrukte vorm.
Deze zogenaamde "Septemberbijbel" vindt in de evangelische gebieden
een enorme afzet en wordt daar tot een volksboek, waarmee het een
wezenlijke bijdrage voor de ontwikkeling van de Duitse geschreven taal
vormt.
Later volgen eerst
delen van het Oude Testament en in 1534 verschijnt de gehele uitgave
van de Bijbel in de Duitse taal, die eveneens op grote schaal
verspreid wordt.
De reformatorische
gedachten werden nu in Wittenberg, dat het centrum van de Reformatie
geworden is, ook in de praktijk omgezet. Demonstratief trouwden in 1521
drie priesters, ook de kerkdienst werd aangepast. Luther ziet deze
veranderingen uit de verte welwillend aan, hij onderhoudt een nauwe
schriftelijke correspondentie met zijn medestrijders in Wittenberg.
In het bijzonder is nog
te noemen het werk van Philippus Melanchthon, die in het jaar 1521 met
zijn werk "Loci communes" de eerste formulering van de Lutherse leer
tot stand brengt en daarmee het werk van de Reformatie ook theologisch
gezien nauwkeurig vastlegt.
Luther echter keert,
wanneer in 1522 de radicale krachten van de Reformatie (zoals de "Beeldenstormers"
onder Andreas Bodenstein, generaal Karlstadt) de overhand schijnen te
krijgen, naar Wittenberg terug.
naar
begin
Sedert zijn jeugd werd Luther door duivels, boze geesten en demonen
geplaagd...
Hij maakt ook later dikwijls van zulke gebeurtenissen melding, vooral
in de eenzaamheid van de Wartburg namen de angsten voor dergelijke
aanvallen sterk toe. Luther schreef hen toe aan zijn depressies en
wisselende stemmingen.
De grond voor de
voortdurende angst voor de satan kan in de laatmiddeleeuwse
religiousiteit in het ouderlijk huis en tijdens zijn opleiding gezocht
worden.
Luther verdedigde zich
tegen de voortdurende aanvechtingen door gebed, "vrolijk zingen" of ook
rigoureuzer: door het gooien met de inktpot: Luther
moet zich, `s nachts door de duivel wakker gemaakt, met een uitgekiende
worp met het inktpotje tegen de satan verdedigd hebben.
Luther zelf deelt ons
mee, dat hij ook op de Wartburg door de duivel lastig gevallen is. Zijn
uitspraak echter, dat hij "de duivel met inkt verjaagd heeft", wordt
tegenwoordig eerder op Luthers Bijbelvertaling betrokken, als op de
nachtelijke gevechten op de Wartburg.
De inktvlek, die in de
laatste eeuw noch in de Lutherkamer op de Wartburg te zien was, kan als
bewijsmateriaal niet meer gelden - er zijn niet weinig berichten,
volgens welke de vlek in de laatste eeuwen vaak opgeknapt, nieuw
aangebracht en bijgekleurd zou zijn...
naar
begin
Luthers 95 stellingen en zijn geschriften
verbreidden zich heel snel over Duitsland. Voor de eerste keer werd
voor de verspreiding van reformatorische of revolutionaire gedachten,
die de gehele samenleving raakten, de boekdrukkunst gebruikt.
Daarvoor vond de boekdruktechniek alleen toepassing voor universitaire
doeleinden, bijvoorbeeld voor het drukken van geschriften en stellingen
voor disputen. Als zodanig waren ook de 95 stellingen van Luther in
feite geschreven.
De nieuwe manier van
boeken drukken werd al omstreeks 1450 door Johannes Gensfleisch de
Jonge, ook wel Gutenberg genoemd, ontwikkeld. Gutenberg vond echter
niet, zoals vaak ten onrechte aangenomen wordt, de boekdruktechniek
zelf uit, maar hij ontwikkelde een nieuwe manier van drukken.
Met de nieuwe wijze
van drukken was het mogelijk door middel van veel aparte
metalen letters (kleine aparte metalen lettertjes, die in regels aan
elkaar gezet konden worden) snel en tegen een betaalbare prijs
geschriften te drukken.
De kleine drukletters,
die spoedig daarna in serie gegoten werden, konden steeds weer opnieuw
voor een zetsel gebruikt worden.
Bepaald door de omwentelingen en veranderingen,
die werden losgemaakt door de uitvindingen en ontdekkingen, is de tijd
waarin Luther leefde getekend door onrust en angst voor het leven bij
het eenvoudige volk. Deze tijd vormt de overgangstijd van de
Middeleeuwen naar de Nieuwe Tijd. Zo krijgen broederschappen en door
het land trekkende boetepredikers, die het einde van de wereld
verkondigen, een geweldige toeloop onder het volk (b.v. Dominee
Michael Stifel). Ook een versterkte relekwieëncultus en een
toenemend aantal bedevaarten zijn kenmerkend voor deze tijd.
Ondertussen staat de maatschappij voor grote problemen. De sterke
bevolkingstoename in de 15e eeuw, als ook de 'vlucht' van veel mensen
van het platteland naar de steden zorgt voor een schaarste aan
voedingsmiddelen en arbeidsplaatsen.
Dreigingen door oorlogen en zich herhalende pestepidemieën
zorgen voor nog meer angst en onrust. Luther wordt in een tijd geboren,
die door diep ingrijpende veranderingen en grote spanningen gekenmerkt
wordt.
|
Het Copernicaanse wereldbeeld |
Het oude wereldbeeld rond 1450
(geocentrisch wereldbeeld)
-
de aarde is een schijf
-
raderen drijven de zon, sterren en maan aan
-
de aarde is het middelpunt van alle sterren
-
de aarde is door een klok omgeven
|
Het wereldbeeld van Copernicus
(heliocentrisch wereldbeeld)
- de aarde is een bol
- de aarde is niet door een klok omgeven en ook
niet het middelpunt van het heelal
- de zon is een vaste ster en het leven gevend
middelpunt
- sterren, maan en planeten draaien in
verschillende banen rond de zon.
|
|
 |
naar
begin
Luther keert naar Wittenberg terug en neemt het
"stuur van de Reformatie" over
Na de eerste "beeldenstorm" in Wittenberg keert Luther uit de
verbanning terug. Hij schroeft zelfs enige vernieuwingen terug, omdat
hij het gevaar ziet, dat de mensen tot het nieuwe geloof gedwongen
worden. Dit wil hij echter verhinderen.
Luther komt op 6 maart
1522 naar Wittenberg en brengt met zijn "vastenpreken" de beweging van
de Reformatie, die hij in het radicale zag afglijden, weer terug op
zijn gematigde lijn.
Weliswaar is de terugkeer van de gebannene gevaarlijk, maar de
hervormers bereiken met het oog op Luthers veiligheid gedeeltelijk
verdere successen: de 2e Neurenberger Rijksdag verklaart dat de ban
tegen Luther niet ten uitvoer gebracht kan worden. Weliswaar wordt in
1524 op de 3e Neurenberger Rijksdag deze ban vernieuwd, maar de
Reformatie had zich op dat moment al zo gevestigd, dat een arrestatie
van Luther nu heel erg onwaarschijnlijk is.
In de volgende jaren begint Luther door geschriften en preken zijn leer
in de praktijk om te zetten. In het geschrift "Over de wereldlijke
regering, hoe men deze gehoorzaamheid verschuldigd is" formuleert
Luther de uitgangspunten van zijn politieke ethiek, in dit werk komt
opnieuw de gematigde instelling van Luther aan de dag.
In de jaren 1522 tot
1524 moet vooral de activiteit van Luther met betrekking tot preken
genoemd worden. Hij reist om te preken heel Middenduitsland door, zoals
in de herfst van 1522 zelfs in Erfurt en Weimar. Hij acht het een heel
belangrijke opgave om de mensen het Evangelie te verkondigen en uit te
leggen.
Ook voert Luther met het geschrift "Over de orde van dienst in de
gemeente" en "Formula missae" (Vorm van de mis) de reeds eerder
voorgenomen hervorming van de kerkdienst in.
De nieuwe sociale orde wordt met de invoering van de "algemene kas"
bereikt. De gemeentelijke sociale en onderwijsverplichtingen worden
door het in beslag nemen van het vermogen van de oude kerk
gefinancierd.
De nieuwe regeling van het schoolwezen is een van de meest dringende
opgaven van Luther. Omdat voor zijn terugkeer heel wat professoren en
scholieren met hun uitleg van Luthers leer het onderwijs volledig
hadden lam gelegd. De reformator heeft echter goed opgeleide
predikanten, leraars en ambtenaren dringend nodig. In het geschrift
"Aan de raadsheren van de steden van het Duitse land, dat ze
Christelijke scholen zullen oprichten en in stand zullen houden"
verplicht hij de overheid goed onderwijs voor de jeugd te garanderen.
Luther en de
Boerenoorlog

Nu ontstaat een nieuwe
tegenpartij van de Reformatie. Deze keer zijn het de radicale krachten
uit de eigen gelederen, die door Luther Schwarmer en Rottengeister
genoemd worden.
Thomas Münzer, priester en voormalige aanhanger van Luther,
wordt in 1525 de leider van de boerenbeweging in Middenduitsland, die
reeds in het jaar 1524 in het Zuidwesten ontstaan was. Deze krachten,
die zich op Luther beriepen, eisen betere (economische) verhoudingen,
ook door het omverwerpen van de overheden. In zijn preken, die hij ook
in het gebied van de opstand zelf hield, keert Luther zich tegen iedere
vorm van geweld. Hij oogst hiermee echter van de kant van de boeren,
die op zijn steun gehoopt hadden, alleen maar afwijzing.
Luther roept van zijn kant de mensen er toe op, zich van de
geestelijke willekeur van de overheid te bevrijden, maar niet van de
economische en politieke. Zo onstaat het felle geschrift "Tegen de
moord en roofzuchtige benden van de boeren", dat tot nu toe een van de
meest omstreden geschriften van de Reformator is.
De boeren lijden echter op 15 mei 1525 in de slag bij Frankenhausen een
vernietigende nederlaag.
naar
begin
Op 13 juni 1525 trouwt Luther met de in 1523
uit het klooster Nimbschen bij Grimma gevluchte non Katharina van
Bora, die sedert dien haar toevlucht in Wittenberg gevonden had. Het
huwelijk met de zestien jaar jongere Katharina wordt tegen het advies
van vele vrienden gesloten, die daarin reeds de ondergang van de
Reformatie zagen. Zo spreekt bijvoorbeeld Philippus Melanchthon over
een "ongelukkige daad". Luthers vriend weet in het begin niets van
Luthers voornemen en wordt ook voor de bruiloft niet uitgenodigd.
Katharina geeft voortaan leiding aan het huishouden, vooral de
huishoudkas, waarmee doctor Luther, zoals verteld wordt, volstrekt
niet kon omgaan. Ze laat echter zien dat ze een goede huisvrouw en
tuinierster is.
In het gezin van Luther leven niet alleen zijn vrouw en later zes
kinderen, maar ook een familielid van Katharina en sedert 1529 zes
kinderen van Luthers zuster. Bovendien heeft Luther studenten in zijn
woning, om de huishoudkas beter van geld te voorzien.
Kenmerkend voor het familieleven van de Luthers zijn ook de vele
opgetekende tafelgesprekken van de Reformator, waarin de taal en de
verbondenheid met het volk van Luther duidelijk wordt.
naar
begin
Luthers gematigde lijn, zijn houding tegenover
de opstandige boeren en zijn compromissen met de landsvorsten werden
hem niet zelden van veel kanten verweten. Aan de andere kant stond
Luther ook steeds onder druk om de Reformatie op het politieke en
theologische vlak te verdedigen tegenover Rooms-katholieke zijde. Dit
zich bewegen over het scherp van de snede wilden vele van zijn
voormalige aanhangers niet meedragen.
Reeds van 1524-26 maakt een strijd van Luther met de beroemde
Nederlandse Humanist Erasmus van Rotterdam het de beweging van de
Reformatie moeilijk en leidt deze tot een scheiding met de Humanisten,
die tot dan toe de gedachten van Luther begroet hadden.
Meningsverschillen tussen Luther en Karlstadt en tussen Luther en de
Zwitserse Hervormer Zwingli over de betekenis van het Avondmaal leidden
in het jaar 1529 tot het Godsdienstgesprek van Marburg, waarbij echter
slechts een gedeeltelijke overeenstemming bereikt werd.
Luther en Melanchthon keerden zich in scherpe bewoordingen tegen de
Doperse beweging; toen echter het Doperse Rijk van Munster 1534/35
overwonnen werd, veroordeelden ze ook de behandeling van de
overwonnenen.
In 1537 komt het tot een strijd met Luthers medestrijder Johannus
Agricola, deze verlaat daarop in 1540 Wittenberg.
naar
begin
"Ik ben zwak, ik kan niet meer."
In de laatste levensjaren heeft Luther met verschillende lichamelijke
kwalen te kampen. Bovendien treft hem het sterven van zijn dochter
Magdalena in 1542 zwaar.
Luthers verhouding tot anders gelovenden, vooral tegenover de Joden,
verslechtert in deze jaren zeer. Heeft hij in 1523 nog met het
geschrift "Dat Jezus een geboren Jood is!" een verzoenende houding
getoond, de ouder wordende Reformator veroordeelt nu allen, die zich
niet laten bekeren. Vanuit deze stemming zou ook in 1543 het sterk
antijoodse geschrift "Over de Joden en hun leugens" ontstaan kunnen
zijn.
De strijd tegen de
vijanden van de Reformatie voert Luther ook in de laatste jaren aan.
Met het geschrift "Tegen het door de duivel gestichte pausdom van
Rome!" deelt hij zijn laatste slag tegen de Rooms Kerk uit.
Luther zet zijn preekactiviteiten echter ondanks allerlei
teleurstellingen en zijn vele lijden voort.
Zijn docentschap aan de Wittenbergse Universiteit zet hij eveneens tot
aan het einde van zijn leven voort, het laatste college eindigt echter
met de woorden: "Ik ben zwak, ik kan niet meer."
naar
begin
De door ziekten getekende Luther vertrekt op de
17e januari 1546 voor de laatste reis van zijn leven naar zijn
geboortestad Eisleben, om daar verschillen van mening binnen de familie
van de Mansfelder graven te beslechten. De onderhandelingen eindigen
succesvol.
Luther heeft echter niet meer de kracht om naar Wittenberg terug te
keren. Hij sterft op de 18e februari 1546 te Eisleben. Op het sterfbed
bidt hij: "In Uw handen beveel ik mijn geest. Gij hebt mij verlost,
Heere, Gij trouwe God."
Nadat de kist met zijn
stoffelijk overschot twee dagen in Eisleben opgebaard heeft gestaan,
wordt hij via Halle en Bitterfeld naar Wittenberg overgebracht.
Op de 22e februari wordt Luther in de Slotkapel te Wittenberg bijgezet,
de toespraak bij het graf houdt Johannes Bugenhagen.
naar
begin
"Een vaste burcht is onze God"
1.
Een vaste burcht is onze God,
een toevlucht voor de Zijnen!
Al drukt het leed, al dreigt het lot,
Hij doet zijn hulp verschijnen!
De vijand rukt vast aan
met opgestoken vaan;
hij draagt zijn rusting nog
van gruwel en bedrog,
maar zal als kaf verdwijnen!
|
2. Geen aardse macht begeren wij,
die gaat welras verloren.
Ons staat de sterke Held ter zij,
dien God ons heeft verkoren.
Vraagt gij zijn naam? Zo weet,
dat Hij de Christus heet,
Gods eengeboren Zoon,
verwinnaar van de troon:
de zeeg' is ons beschoren!
|
3. En grimd'
ook d'open hel ons aan
met al haar duizendtallen,
toch zal geen vrees ons nederslaan,
toch doen wij `t krijgslied schallen.
Hoe ook de satan woedt,
wij staan hem voet voor voet,
wij tarten zijn geweld;
zijn vonnis is geveld:
één woord reeds doet hem vallen!
|
4. Gods Woord houdt stand in eeuwigheid
en zal geen duimbreed wijken.
Beef, satan! Hij, die ons geleidt,
zal u de vaan doen strijken!
Delf vrouw en kind'ren `t graf,
neem goed en bloed ons af,
het brengt u geen gewin:
wij gaan ten hemel in
en erven koninkrijken!
|
Dit lied is door
Maarten Luther gemaakt met de Bijbeltekst van Psalm 46 in gedachte:
46 Voor den koorleider. Van de Korachieten. Op de wijze van: De
jonkvrouwen. Een lied.
2 God is ons een toevlucht en sterkte, ten zeerste bevonden een hulp in
benauwdheden.
3 Daarom zullen wij niet vrezen. al verplaatste zich de aarde, al
wankelden de bergen in het hart van de zee.
4 Laat bruisen, laat schuimen haar wateren, laat de bergen beven door
haar onstuimigheid. sela
5 Een rivier - haar stromen verheugen de stad Gods, de heiligste onder
de woningen des Allerhoogsten.
6 God is in haar midden, zij zal niet wankelen; God zal haar helpen bij
het aanbreken van de morgen.
7 Volkeren woedden, koninkrijken wankelden, Hij verhief zijn stem, de
aarde versmolt.
8 De Here der heerscharen is met ons, een burcht is ons de God van
Jakob. sela
9 Komt, aanschouwt de werken des Heren, die verwoesting op aarde
aanricht,
10 die oorlogen doet ophouden tot het einde der aarde, den boog
verbreekt, de lans stukslaat, de strijdwagens met vuur verbrandt.
11 Laat af en weet, dat Ik God ben; Ik ben verheven onder de volken,
verheven op de aarde.
12 De Here der heerscharen is met ons, een burcht is ons de God van
Jakob. sela
naar
begin
Over haar afkomst en jeugd is slechts weinig
bekend. Naar alle waarschijnlijkheid komt zij uit een adellijk geslacht
van de ridderlijke stand te Meissen; - ten zuidoosten van Leipzig - zij
werd geboren op 29 januari 1499. Haar ouders moeten dan Katharina von
Haupitz en Hans von Bora heten, gehuwd in 1482. Uit erfeniskwesties en
brieven is te herleiden, dat Katharina drie broers heeft, misschien
ook een zusje Maria. Käthe is na de dood van haar moeder (eind
1504 - begin 1505) naar de kloosterschool van de Benedictinessen in
Brehna gebracht (noordoost van Leipzig). Dit soort scholen staan bekend
om onderwijs aan adellijke dochters. Eind 1508 - begin 1509 gaat
Käthe naar Nimbschen. Zij hoort bij de meisjes, die vroeg het
klooster ingaan, zodat ze géén bruidsschat
kosten. Bovendien heeft Käthe in Nimbschen twee familieleden:
Magdalena von Bora, - een zus van haar vader - die hoofd is van de
ziekenafdeling; èn de abdis, die familie is van moeders
kant. Haar opleiding aldaar is zeer uitvoerig: een cursus met drie
vakken zoals grammatica, rethorica en dialectica; een cursus van vier
vakken zoals geometrie, aritmetica, astronomie en muziek; verplichte
vakken waren Latijn vanwege het koorgebed en de lezingen; en tenslotte
kuisheid en zedelijkheid (parels voor de maagdelijkheid!).
Käthe doet na een jaar zwijgen, - zij is dan al 11 jaar in het
klooster - als 16-jarige haar intrede en krijgt haar wijding als
moniale (8 oktober 1515). De abt van het moederklooster moet steeds
herhalen, dat er strenger moet worden opgetreden: nog meer zwijgen,
niet meer naar buiten treden (verboden terrein!). Nimbschen, - ook wel
Marienthron of Gottesthron genoemd - is tegenwoordig een
ruïne; ooit was het een beroemd bedevaartsklooster.
Na 18 jaar
kloosterleven verlaat Käthe Nimbschen, 's nachts in het geheim
samen met acht anderen. Ook hier is het gedachtengoed van Martin Luther
doorgedrongen. Voor deze acht is de zaak duidelijk! De Torgause burger
Leonhard Koppe haalt hen in de paasnacht van 5 april 1523 op. Met
behulp van twee jonge mannen helpt hij hen in haringtonnen. Via Torgau,
waar ze twee dagen rusten, komen ze dan tenslotte met de hulp van
Gabriel Zwilling op 9 april te Wittenberg aan: negen bevrijde nonnen!
Er wordt een collecte gehouden voor andere kleding. Zes reizen door
naar hun familie; twee vinden een baan op de meisjesschool; over
Käthe' s familie wordt niets verteld. Naar alle
waarschijnlijkheid is haar vader hertrouwd en kan zij er niet terecht!
In het gezin van de familie Reichenbach wordt Käthe
allereerst opgenomen, maar al snel komt zij in het gezin Cranach. In
hun huis leert zij het reilen en zeilen van de grote familie en de
apotheek. Wittenberg is vol studenten. Elk huis van een burger of
geleerde zat er vol mee. Käthe maakt indruk op anderen, maar
zij is als huwelijkskandidaat niet meer één van
de jongsten. Toch wijst zij verschillende mannen af! Op 13 juni 1525
trouwen Martin en Katharina en nemen hun intrek in het 'zwarte'
klooster: 'zwart' genoemd naar de zwarte pijen van de Augustijner
monniken. Precies 14 dagen later is er voor familie, vrienden en
anderen de huwelijksinzegening in de kerk en een bruiloftsmaal.
Het echtpaar Luther
krijgt zes kinderen: drie meisjes en drie jongens. Vanaf het begin gaat
Katharina energiek aan de slag. Het interieur wordt gekalkt; de tuin
wordt ingezaaid en beplant; de brouwerij komt in bedrijf. In 1527 zijn
er verschillende dienstmaagden; het personeel in stallen en tuin wordt
talrijker. Achter dit bezig zijn steekt de traditie van de
kloosterorde, de organisatie van bezit, de opbrengsten van fruitbomen
en veestapel. Käthe ziet erop toe, dat ze ook tuinen
bijkoopt. Op korte afstand van de woning ligt de Saumarkt, waar een
beek doorheen stroomt, die de keuken van vis voorziet. Het zwarte
klooster wordt op naam gezet van de Luthers en hun nakomelingen. Het
maakt dat Käthe materieel onafhankelijk wordt. Het harde
kloosterleven, de dagindeling, het vroege opstaan is harde noodzaak
voor Käthe. Ze geven haar levensritme aan, want behalve voor
de eigen kinderen, voor Martin, zichzelf en haar tante Lena heeft zij
de zorg en opvoeding voor tenminste elf neefjes en nichtjes op zich
genomen. Daarnaast hebben talloze anderen, - armen en vluchtelingen -
huisvesting, warmte en eten gekregen in de steeds wisselende kring van
het Lutherhuis. Bij die stroom voorbijgangers is er een kring van
jongens en mannen: zeker 6 studenten van 13 á 14 jaar (soms
meer!), tafel- en studievrienden van Martin, geleerden en niet te
vergeten het personeel, bestaande uit enkele vrouwen, de kokkin,
koetsier, varkenshoeder, knechten en dagloners. Als je het klooster
ziet, begrijp je dat zij er allemaal konden logeren, maar
Käthe regeert met straffe hand. Want Luther's lijfspreuk was,
dat God loont wat een mens voor een ander doet, zodat hij zijn schamel
onderkomen en brood met iedereen deelde, die er gebruik van wilde
maken! Käthe voert de regel in, dat deelnemen aan Luther's
'Bursa' (zeg maar een professorale verplichting: college voor jonge
studenten aan de eettafel) betekent: betaling naar draagkracht. Voor de
studenten was dat 30 gulden per jaar. Deze etentjes hebben bekendheid
gekregen als de z.g. 'Tischreden', oftewel tafelgesprekken, die door
velen werden opgetekend. De aantekeningen geven vaak persoonlijke
indrukken door van de tafelgenoten, maar ook zeker van de vrouw des
huizes: Käthe. Zij was geleerd en niet op haar mondje
gevallen. Collega's van de Reformatie vonden haar te eigengereid; een
vrouw moest immers nederig zijn!
Vanuit de wereldvreemde
beslotenheid van het Cisterciënsterklooster treedt Katharina
naar buiten in een leven, waarin als het ware de hele wereld bij haar
thuis is. De man met wie zij trouwt, heeft door zijn nieuwe visie op
Jezus Christus de ogen van heel Europa op zich gericht. In die
binnenste cirkel leeft Katharina 21 jaar naast haar echtgenoot. Niet
als een verlengstuk van hem; nee, in dat brandpunt leeft een vrouw, die
met haar eigen kwaliteiten van gelijk formaat is als de man, waarmee
zij zich met heel haar wezen verbonden weet. De schijnwerpers van de
wereld staan ook op haar gericht. Ook zij is een vrouw van formaat! Op
de vroege ochtend van 19 februari 1546 ontstaat een interval in haar
bedrijvig leven. Melanchton, Bugenhagen en Kreuziger komen op een
vreemd vroeg uur, - als het buiten nog donker is - in Käthe's
woning. Haar vrienden vertellen Käthe, dat doktor Luther de
dag tevoren (donderdag 18 februari tussen 2 en 3 uur 's nachts) in
Eisleben is overleden. Het bericht is in zekere zin onverwacht; toch
mankeerde Luther steeds veel en voelde hij zich de laatste tijd zwak.
Er moet een moment van radeloosheid geweest zijn, een overheersend
gevoel dat alles afgelopen is. Dat is een veronderstelling na het
bericht, dat Käthe de z.g. 'Bursa' ontbindt. Luther zal nooit
meer het middelpunt van de gesprekken zijn aan haar tafel.
Vijf lange dagen moet
de weduwe wachten, totdat eindelijk zijn stoffelijk overschot in
Wittenberg aankomt. Käthe moet haar man nu met de hele wereld
delen; zijn lichaam is publiek bezit geworden. Een eindeloze rouwstoet
trekt in de richting van de slotkapel, waar Luther's resten vlak voor
de kansel worden bijgezet. Zij heeft geen contant geld meer omdat ze
vaak geld moest lenen vanwege Luther's vrijgevigheid, maar gelukkig
stuurt de keurvorst 100 gulden. De vorst maakt Luther's verzuim goed
door het testament van Luther op 11 april 1546 te bekrachtigen. De wet
komt hij na en de regeling van de voogden voor de kinderen, - die
Luther vanwege Katharina persé niet wilde - neemt de vorst
nu zelf ter hand. Het was voor die tijd een vreemd testament: Luther
gaf alles (ook de opvoeding van de kinderen) aan Käthe! Van
maart tot juni duurt het nalatenschap. Daarna volgt de aankoop van het
landgoed Wachsdorf. In november moet zij, - net als vele andere
stadsgenoten - meetrekken naar Magdeburg, waar de universiteit voor de
duur van de oorlog van Smalkalden onderdak zoekt. In het voorjaar keren
de vluchtelingen terug naar Wittenberg. De legers van de keurvorst en
de hertog hebben geen beslissende slag geleverd. De schade toegebracht
aan elkaars land is groot. Niet lang durft Käthe in haar stad
te blijven. Op 24 april verslaan de troepen van de keizer die van de
keurvorst en Johann Frederik wordt gevangen genomen. Weer vlucht
Käthe, - samen met Walpurga Bugenhagen - en haar kinderen.
Käthe is ontmoedigd. Ze heeft de verwoestingen rond
Wittenberg gezien. Haar bezit, - voor zover het buiten de stad ligt -
is verbrand en verwoest. Ze zal alles moeten opbouwen, daarom besluit
ze een heenkomen te zoeken bij de haar welgezinde koning Christian III
van Denemarken. Käthe trekt een tijd noordwaarts, maar het
rondzwervend krijgsvolk dwingt hen terug te gaan naar Braunschweig.
Eind mei komen er berichten, dat de vluchtelingen naar Wittenberg
terug kunnen. De schade daar is beperkt. Haar bezit, het zwarte
klooster en de inventaris is behouden gebleven. Maar het wordt geen
vrolijke reis door wat er onderweg allemaal is te zien.
Käthe heeft de
vitaliteit steeds opnieuw aan het werk te gaan, te rekenen en te
herbouwen. Ze gaat verstandig te werk, leent geld, maar neemt geen
risico. Nieuwe tegenslagen volgen in de vorm van kwade en
kwaadsprekende buren. Was het niet genoeg dat er vele
oorlogsbeschadigingen waren; nu volgen er verschillende processen. Een
landheer maakt aanspraak op haar bezit Zolsdorf. De processen duren van
1648 tot 1552. Langzamerhand vergeten mensen, die haar man naar de ogen
hebben gekeken, het bestaan van zijn vrouw. Tussen alle onrust van
oorlog en processen, verdriet en teleurstellingen zorgt zij verder
voor haar kinderen. Haar laatste dagen kondigen zich onverwachts en
tragisch aan. In de zomer van 1552 slaat de pest weer toe. De
universiteitsstad loopt leeg. Begin juni biedt de stadsraad van Torgau
de universiteit onderdak aan, waar de colleges op 17 juli worden
voortgezet. Käthe blijft in Wittenberg tot in september ook in
het zwarte klooster de eerste slachtoffers vallen. Met paard en wagen
volgt zij met haar kinderen de weg, vanwaar ze 29 jaar geleden kwam
aangereden. Op diezelfde weg steigeren de paarden, en terwijl
Käthe springt om ze vast te houden, komt ze in het ijskoude
water langs de weg terecht. Als Katharina tenslotte in Torgau aankomt,
is zij een verlamde vrouw. Op 20 december 1552 is haar leven voorbij.
Naast haar vertrouwen in Christus schildert Melanchton haar aan God
overgegeven geduld op haar ziekbed. Katharina von Bora wordt begraven
in de kerk, die in 1243 aan het Cisterciënsterklooster werd
geschonken. Nog steeds rust haar gebeente daar onder de stenen vloer
tussen doopvont en kansel. De kinderen hebben aan de muur haar
grafsteen laten maken en haar levensgroot afgebeeld. Op de steen
staat: "Anno 1552 den 20. Dezember ist in Gott selig entschlaffen
alhier zu Torgau Herrn D. Martini Luthers seligen Hindergelassene
wittbe Katharina". De nalatenschap van Käthe en Martin wordt
op 5 april 1554 onder hun vier kinderen verdeeld. De oudste zoon Hans
is na zijn studie verbonden aan de kanselarij in Weimar in dienst van
de teruggekeerde vorst Johann Frederik. Martin studeert theologie en
Paul wordt arts. Hij doceert later aan de universiteit van Jena.
Magarete trouwt in 1554 met de jonge, rijke, oost-pruisische edelman
Georg von Kunheim.
naar
begin
Philippus Melanchthon werd 16 Februari 1497 als zoon van Georg
Schwarzerd, een wapensmid, in Bretten geboren. Hij was de oudste van
vijf kinderen. De stad Bretten behoorde in die dagen tot het
keurvorstendom van de Palts. Zijn naam Philippus kreeg hij ter ere van
de landsheer, die dezelfde voornaam droeg. Zijn vader was vanwege zijn
beroep "wapenmeester" van de keurvorst die in Heidelberg zetelde. Hij
was trouwens ook uit deze nabijgelegen stad aan de Neckar afkomstig.
Zijn moeder stamde uit een welgestelde familie van kooplieden. Zij
droeg de naam Reuter.
Haar vader heeft in de opvoeding van dit kleinkind een grote rol
gespeeld en hij zorgde er voor dat Philippus al heel vroeg in de
Latijnse taal geschoold werd.
Vader en grootvader stierven toen Philippus nog maar elf jaar oud was.
Hij was toen in feite al een volwassene!
Op de middelbare school
bleek hij een uitstekende leerling te zijn en daarom werd hij in de
gelegenheid gesteld zich naast het Latijn ook te bekwamen in de Griekse
taal.
Zijn naam "Melanchthon" zou hij aan de welbekende humanist en
taalgeleerde Johannes Reuchlin ontleend hebben. Volgens de
overlevering zou deze een tegen hem gezegd hebben:
"Je heet Schwarzert, je bent een Griek; daarom zul je
ook een Griekse naam dragen: Ik noem je Melanchthon, wat betekent
"zwarte aarde".
Deze Reuchlin
onderhield goede relaties met de hoogleraren van de universiteit van
Heidelberg. En zo kwam het dat Melanchthon al toen hij
twaalfeneenhalf(!) jaar oud was werd ingeschreven aan deze
universiteit.
Reeds 10 juni 1511, hij
was dus nog maar veertien jaar oud, kon hij de studie daar afronden en
verkreeg hij daar de graad van "Baccalaureus Artium", vergelijkbaar
met onze titel "doctorandus".
Op de leeftijd van zestien jaar promoveerde hij aan de universiteit van
Tübingen aan de faculteit van de wijsbegeerte. Daarna werd hij
zelf docent aan deze universiteit. Hij gaf er colleges in de rhetoriek
en dialectiek. Ook de colleges in de geschiedenis werden al spoedig
door hem verzorgd. En reeds in deze periode van zijn leven zien de
eerste belangrijke door het humanisme gestempelde geschriften van de
jonge geleerde het licht. In 1518 verschijnt van zijn hand een
gramatica van de Griekse taal.
In het jaar 1518 werd
Philippus Melanchthon door keurvorst Frederik de Wijze (1463-1525)
benoemd aan de door hem in 1502 opgerichte universiteit van Wittenberg.
Hij werd er hoogleraar voor de Griekse taal.
Opnieuw is het de humanist en taalgeleerde Reuchlin die de hand in deze
benoeming heeft. Hij was het die de naam van de nog maar 21 jarige,
maar briljante geleerde genoemd had. Op 28 augustus houdt Melanchthon
in Wittenberg als hoogleraar zijn inaugurele rede getiteld: "Over de
vernieuwing van het onderwijs aan de jeugd".
Zoals ook andere mannen van naam uit de dagen van de Reformatie blijkt
ook hij ook te hebben voor het grote belang van het onderwijs en
schroomt hij niet hier vernieuwingen in aan te bevelen. Naast
taalgeleerde en humanist is Melanchthon vooral ook docent.
Onder leiding van Maarten Luther bekwaamt hij zich in Wittenberg
bovendien nog eens in de theologische wetenschap en reeds in 1519 is
hij "baccalaureus biblicus".
Luther zelf begaf zich als student onder het onderricht van de
veertien jaar jongere Melanchthon in de Griekse taal hetgeen van groot
belang zou worden voor de vertaling van het Nieuwe Testament in de
Duitse taal.
Vanaf het jaar 1519 hij Philippus zich ook bezig met de
reformatorische theologie. Reeds in het gesprek met Johannes Eck te
Leipzich staat hij Luther in het theologisch debat ter zijde.
Luther heeft van hem gezegd:
"Deze kleine Griek overtreft mij ook in de theologie!"
Aan deze uitspraak van Luther heeft hij zijn bijnaam "De kleine Griek"
overgehouden.
In 1530 neemt
Melanchthon ook deel aan de gesprekken tijdens de Rijksdag te Augsburg.
Hij heeft er de hand in het tot stand komen van de Augsburgse
Confessie. Dagelijks wordt in die periode overleg gevoerd met Luther,
die om veiligheidsredenen is achtergebleven te Coburg.
Tijdens Luthers
verblijf op de Wartburg is het Melanchthon, die voorlopig Luthers
colleges over Bijbelse geschriften overneemt.
Malanchthon gaf colleges over de ethische en politieke geschriften van
Aristoteles en Cicero. Publikaties naar aanleiding van deze colleges
zagen in de jaren 1529 en 1532 het licht. Hij toont hiermee aan te
staan in de humanistische traditie.
Vanaf het jaar 1538 publiceert hij over zijn eigen systeem van de
ethiek.
In 1540 verschijnt zijn "leer van de mens", "De anima". Hierin sprak
hij zich uit voor de nieuwe Copernicaanse wereldbeschouwing. Naast deze
wetenschappelijk geschriften publiceerde hij ook in 1527 een commentaar
op de brief aan de Kolossenzen, als ook vanaf 1529 tot en met 1556 een
commentaar op de brief aan de Romeinen. Sins 1555 houdt hij ook
lezingen over de wereldgeschiedenis. Het boek dat uit deze colleges
ontstond publiceert hij onder de naam van Berlijnse hofastroloog Johann
Carion.
Op 19 april 1560 sterft hij, die nooit angst voor de dood kende, op
ruim 63-jarige leeftijd.
Op zijn graf in de Slotkerk te Wittenberg staat in het Latijn
geschreven:
"Hier rust het lichaam van de hooggeëerde Philip Melanchthon,
die in het jaar 1560 op 19 april in deze stad is gestorven, nadat hij
63 jaren, 2 maanden en 2 dagen geleefd had.
naar
begin
Lucas Cranach de Oudere werd als zoon van een
schilder rond 1472 in Kronach (Oberfranken) geboren. Van 1502 tot 1504
verbleef hij in Wenen en daarna werd hij hofschilder van de Saksische
keurvorst Frederik de Wijze. Deze verleende hem in 1508 een wapen met
een gevleugelde slang. In hetzelfde jaar reisde Cranach in opdracht van
zijn keurvorst naar de Nederlanden.
Ongeveer twee jaar later trouwde hij met Barbara Brengebier, een
burgemeestersdochter uit Gotha.
In de jaren daarna liet Cranach zijn grote huis in de
Schloßstraße 1 grondig verbouwen. Lucas Cranach
maakte van zijn werkplaats een zeer veelzijdig bedrijf.
Zijn twee zoons Hans en Lucas (de Jongere) werden in 1513(?) en 1515
geboren. Beiden werden, net als hun vader, schilder. In de jaren 1517
en 1519 werden Cranachs dochters Ursula en Barbara geboren. In 1520
verkreeg Cranach het apotheekprivilege. Van zijn dochter Anna, die in
datzelfde jaar werd geboren, was Maarten Luther peetoom. Vanaf 1523 had
Cranach voor korte tijd een drukkerij, later ook nog een boekhandel.
Bij het huwelijk van Maarten Luther met Katherina van Bora waren
Cranach en zijn vrouw getuigen. Van Luthers eerste zoon Johannes werd
Cranach peetoom.
Cranach gold als een van de aanzienlijkste en rijkste burgers van
Wittenberg. Hij was jarenlang lid van de Wittenbergse raad en
bekleedde ook meerdere malen het ambt van burgemeester.
De dood van zijn getalenteerde zoon Hans in Bologna (in 1537) trof
Cranach diep. Drie jaar later stierf ook zijn vrouw Barbara. In 1547
vroeg Cranach bij keizer Karel V om gratie voor de gevangen keurvorst
Johan Frederik. Hij volgde in 1552 de vrijgelaten keurvorst naar
Weimar. Daar stierf Cranach in 1553 op de leeftijd van 81 jaar.
naar
begin
Frederik werd in 1463 geboren op Slot Hartenfels in Torgau als eerste
zoon van keurvorst Ernst uit het huis van de Wettinger. In 1486 werd
hij samen met zijn jongere broer Johan de opvolger van zijn vader.
Hij was een vreedzaam man en hield in zijn regeringstijd zijn gebied
buiten alle oorlogsverwikkelingen. Historische betekenis kreeg Frederik
echter bovenal als bevorderaar van wetenschap en kunst. Zo maakte hij
van Wittenberg een representatieve residentie door de nieuwbouw van
Slot en Slotkerk de in 1502 gestichte Universiteit.
In de tijd van Luther werd Wittenberg de uitvalsbasis en het geestelijk
centrum van de Reformatie, die in de landsvorst een betrouwbare
beschermheer vond, ook al opereerde deze slechts op de achtergrond.
Frederik was nog wel sterk beïnvloed door de laatmiddeleeuwse
vroomheid, maar toch had hij de noodzaak van hervorming van de
toenmalige kerk ingezien. De bescherming van Maarten Luther voor de
kerkelijke rechtspraak werd Frederiks historische verdienste. Daarbij
bleek zijn diplomatieke vertragingstactiek, waardoor zijn tegenstanders
nooit vat op Luther konden krijgen, zeer effectief te zijn. Zo
beschermde Frederik de in zijn ogen ten onrechte beschuldigde Luther.
Net als in andere gevallen vormde Frederik zich hier eerst een eigen
oordeel. Dit kwam tot stand door middel van nauwkeurig onderzoek naar
de stand van zaken door zijn adviseurs en het oordeel van geleerden,
zoals (in de Lutherkwestie) Erasmus van Rotterdam. Frederik stierf in
1525 op zijn jachtslot in Lochau.
naar
begin
|