In de lutherse kerk hangen negen schilderijen die in de eerste helft van de zeventiende
eeuw zijn aangebracht. Dat deze schilderijen er zijn is waarschijnlijk een unicum voor
een protestantse kerk uit die tijd. Vier van deze schilderijen zijn van de hand van de
leidse schilder Joris van Schooten.
Het negende en laatste schilderij geeft "De Kroon des Levens" weer, en in het hart
daarvan vliegen de engeltjes waarop u zojuist geklikt hebt.
Na het vorig schilderij ("Het laatste Oordeel") is voor het weergeven van de vreugde
het hele laatste paneel bewaard. Toch heeft de schilder ook in het beeld van de eeuwigheid
een verbinding willen leggen met de aardse tijd: als een element van verrassing is, in de
rechter bovenhoek, de aankomst voorgesteld van een mens die "de loop goed heeft volbracht".
Gekleed in de witte mantel, de palmtak van de overwinning met de rechterhand vast tegen
zich aangedrukt, kijkt hij wat verbaasd in deze nieuwe omgeving naar een engel die op hem
af vliegt om hem de Kroon des Levens toe te reiken.
Het is een klein, maar sprekend tafreel, waar aller ogen op zijn gericht en waar het volle
licht op valt; toch vormt het maar een onderdeel van het vreugdevolle hemelse leven, dat
overigens dit paneel vult.
De meeste aandacht trekt de krans van zwevende en om elkaar tuimelende engeltjes in het midden
en, achter die schare op het eerste plan, naar de diepte toe steeds kleinere, in de verte
vervagende, dansende figuurtjes. Rondom deze doorkijk in de oneindigheid zitten op of
tegen de wolkformaties die haast aan rotsen doen denken, grote figuren en, links boven,
een paar mensen: men zou zeggen nieuw aangekomenen, voor wie misschien de beide lauwerkransen
bedoeld zijn die één van de engeltjes in de vreugdedans voor zich uit houdt.
Dit tweetal, dat nog niet aan deze nieuwe wereld gewend lijkt, leunt over een donkere rand
wolken, de voorste in een goudgele mantel, de ander donker gekleed. Zij kijken gespannen toe,
evenals een grote engel die met gevouwen handen naast hen zit. Overal komen tussen de
plooien van het gewaad, om de figuren en uit de wolken engelenkopjes te voorschijn.
Op een wolkenrand aan de rechterzijde is een musicerend groepje afgebeeld, twee vrouwen,
één met een luit, de ander met luit of met mandoline; een jonge man begeleidt hen met zijn
fluit en achter hen zien wij nog twee vrouwen, zingend en fluitend. Er is veel aandacht
besteed aan de plooien in de goudgele mantel van de voorste vrouw rechts en in het
ruimvallende, rozerode kleed van de engel links.
Onder de wijde hemelboog zitten in verschillende rijen de gelukzaligen; de voorste rijen
meer sprekend van kleur, verder naar achteren kleiner van gestalte en lichter van tint.
Opmerkelijk is de groep in de linker benedenhoek, een man en een vrouw, spelend op een
viool en op een cello of bas; zij komen als individuen uit de rijen naar voren door hun
proporties en door hun houding.
Wat verder naar rechts is in de groep van kleine gestalten een merkwaardige figuur: een
harpspeler met een zware grijze baard die, met zijn omhooggeslagen ogen, herinnert aan
het eeuwenoude traditionele beeld van de blinde zanger (afb. 19); hij wordt door de man
vóór hem op een fluit begeleid. Nog iets verder naar rechts zit een vrouw, van achteren
gezien, die met geheven hand de maat lijkt te slaan, en voor haar ligt een tweede vrouw,
rustig luisterend, languit. In de lichtere rij daarachter is een figuur, die zijn palmtak
omhoog zwaait.
De donkere wolk, waarop zij allen zitten, sluit het paneel langs de benedenrand af; deze
donkere rand lijkt tevens de afscheiding die, van beneden gezien, het hemelse leven voor
de ogen der mensen op aarde verborgen houdt.
In de donkere hoek rechts beneden, waar een paar lichte koppen uit de zwarte wolk te
voorschijn komen, zijn de signatuur en de datum te vinden: J V Schooten fe ao 1640.
Wat verder naar rechts is de rechterhelft afgebeeld van een klein geheel wit figuurtje,
frontaal gezien en met opgetrokken knieën.
(Uit: Beeld en Gelijkenis; Schilderingen in een Schuilkerk)