Aanslaan van de stellingen en de gevolgen (1517-19)

Sedert 1514 is Luther niet alleen hoogleraar in de theologie aan de universiteit van Wittenberg, maar ook predikant in de Stadskerk van Wittenberg. daarmee heeft hij ook voor het “zieleheil” van zijn gemeente te zorgen. Hij moet echter vaststellen, dat veel mensen uit Wittenberg niet meer bij hem komen om te biechten, maar in plaats daarvan naar de Brandenburgse of Anhaltse steden zoals Jüterbog of Zerbst reizen, om daar aflaatbrieven (vooral de Petrusaflaat) te kopen.

John Tetzel - aflaatverkoop

John Tetzel – aflaatverkoop

De praktijk van de aflaatverkoop, die als het ware in de plaats van de biecht kwam, en waarmee men voor zichzelf het zieleheil kon kopen, is volledig in strijd met Luthers overtuiging. Hij gelooft er immers vast in, dat ieder mens zich levenslang in ootmoed behoort toe te vertrouwen aan Gods genade.

De handel met aflaatbrieven neemt vooral sedert het jaar 1507 dramatisch toe, omdat de Curie in Rome en bisschop Albrecht van Brandenburg, aan wie in Duitsland de aflaathandel is opgedragen, in steeds groter geldnood raakten.

Daarbij komt nog, dat de Dominicanermonnik Johan Tetzel, welke in Anhalt en Brandenburg de aflaten verkocht, zijn “werk” als een marktkoopman doet en dat over het laatste ook veel verhalen in omloop raken. Zo wordt verteld, dat men bij Tetzel ook de zonden van mensen die al gestorven waren kon laten uitdelgen.

Ook uitspraken van Tetzel, zoals “Als het geld in het kistje klinkt, het zieltje in de hemel springt“, riepen bij Luther protesten op.