Bandreiging (1520/21)

Luther distantieert zich van het pausdom

Door de voortdurende aanvallen van de kant van de Roomse Kurie wordt Luther er toe gedwongen, zijn geloofsinzichten tot een zelfstandige theologie te ontwikkelen. Zo werkt hij in de jaren 1520/21 aan de drie grote reformatorische geschriften “Aan de Christelijke Adel van de Duitse Natie”, “Over de Babylonische Ballingschap van de Kerk” en “Over de Vrijheid van een Christenmens” en verwijdert hij zich nu innerlijk definitief van Rome.
Daarom wordt in 1520 het ketterproces tegen hem weer ter hand genomen. Dit loopt op 15 juni 1520 uit op de bul waarin hij met de ban bedreigd wordt, waarin van Luther defintief geƫist wordt zijn leer te herroepen.

Verbranding van de banbedreigingsbul en de banvloek

Luther verbrandt pauselijke bul

Luther verbrandt pauselijke bul

Luther reageert demonstratief: op de 10 december 1520 verbrandt hij de bul (“Exurge Domine”) tegelijk met het kerkelijk wetboek en de boeken van zijn tegenstanders op de plaats, waar zich tegenwoordig de Luthereik bevindt, waarbij hij geroepen moet hebben “Omdat jij goddeloos boek de gelovigen van de Heer verdriet aangedaan hebt, daarom doe jou verdriet en vertere jou het eeuwige vuur”. Dit gedrag bezegelt zijn definitieve en onherroepelijke breuk met Rome. De paus spreekt daarop op 3 januari 1521 de banvloek over Luther uit.
De keizer echter ziet zich gedwongen om Luther te verhoren door de Luther welgezinde stemming in het land. Ook de invloed van enige vorsten, die de invloed van de paus op de rijkspolitiek hopen te verzwakken, versterkt deze noodzaak voor de keizer. Daarom wordt de opstandeling op de Rijksdag naar Worms ontboden en wordt hem een vrijgeleide toegezegd.