Mevrouw Luther, Katharina von Bora

Katharina von Bora (1526)

Katharina von Bora (1526)

Over haar afkomst en jeugd is slechts weinig bekend. Naar alle waarschijnlijkheid komt zij uit een adellijk geslacht van de ridderlijke stand te Meissen; – ten zuidoosten van Leipzig – zij werd geboren op 29 januari 1499. Haar ouders moeten dan Katharina von Haupitz en Hans von Bora heten, gehuwd in 1482. Uit erfeniskwesties en brieven is te herleiden, dat Katharina drie broers heeft, misschien ook een zusje Maria. Käthe is na de dood van haar moeder (eind 1504 – begin 1505) naar de kloosterschool van de Benedictinessen in Brehna gebracht (noordoost van Leipzig). Dit soort scholen staan bekend om onderwijs aan adellijke dochters. Eind 1508 – begin 1509 gaat Käthe naar Nimbschen. Zij hoort bij de meisjes, die vroeg het klooster ingaan, zodat ze géén bruidsschat kosten. Bovendien heeft Käthe in Nimbschen twee familieleden: Magdalena von Bora, – een zus van haar vader – die hoofd is van de ziekenafdeling; èn de abdis, die familie is van moeders kant. Haar opleiding aldaar is zeer uitvoerig: een cursus met drie vakken zoals grammatica, rethorica en dialectica; een cursus van vier vakken zoals geometrie, aritmetica, astronomie en muziek; verplichte vakken waren Latijn vanwege het koorgebed en de lezingen; en tenslotte kuisheid en zedelijkheid (parels voor de maagdelijkheid!). Käthe doet na een jaar zwijgen, – zij is dan al 11 jaar in het klooster – als 16-jarige haar intrede en krijgt haar wijding als moniale (8 oktober 1515). De abt van het moederklooster moet steeds herhalen, dat er strenger moet worden opgetreden: nog meer zwijgen, niet meer naar buiten treden (verboden terrein!). Nimbschen, – ook wel Marienthron of Gottesthron genoemd – is tegenwoordig een ruïne; ooit was het een beroemd bedevaartsklooster.

Na 18 jaar kloosterleven verlaat Käthe Nimbschen, ’s nachts in het geheim samen met acht anderen. Ook hier is het gedachtengoed van Martin Luther doorgedrongen. Voor deze acht is de zaak duidelijk! De Torgause burger Leonhard Koppe haalt hen in de paasnacht van 5 april 1523 op. Met behulp van twee jonge mannen helpt hij hen in haringtonnen. Via Torgau, waar ze twee dagen rusten, komen ze dan tenslotte met de hulp van Gabriel Zwilling op 9 april te Wittenberg aan: negen bevrijde nonnen! Er wordt een collecte gehouden voor andere kleding. Zes reizen door naar hun familie; twee vinden een baan op de meisjesschool; over Käthe’ s familie wordt niets verteld. Naar alle waarschijnlijkheid is haar vader hertrouwd en kan zij er niet terecht! In het gezin van de familie Reichenbach wordt Käthe allereerst opgenomen, maar al snel komt zij in het gezin Cranach. In hun huis leert zij het reilen en zeilen van de grote familie en de apotheek. Wittenberg is vol studenten. Elk huis van een burger of geleerde zat er vol mee. Käthe maakt indruk op anderen, maar zij is als huwelijkskandidaat niet meer één van de jongsten. Toch wijst zij verschillende mannen af! Op 13 juni 1525 trouwen Martin en Katharina en nemen hun intrek in het ‘zwarte’ klooster: ‘zwart’ genoemd naar de zwarte pijen van de Augustijner monniken. Precies 14 dagen later is er voor familie, vrienden en anderen de huwelijksinzegening in de kerk en een bruiloftsmaal.

Het echtpaar Luther krijgt zes kinderen: drie meisjes en drie jongens. Vanaf het begin gaat Katharina energiek aan de slag. Het interieur wordt gekalkt; de tuin wordt ingezaaid en beplant; de brouwerij komt in bedrijf. In 1527 zijn er verschillende dienstmaagden; het personeel in stallen en tuin wordt talrijker. Achter dit bezig zijn steekt de traditie van de kloosterorde, de organisatie van bezit, de opbrengsten van fruitbomen en veestapel. Käthe ziet erop toe, dat ze ook tuinen bijkoopt. Op korte afstand van de woning ligt de Saumarkt, waar een beek doorheen stroomt, die de keuken van vis voorziet. Het zwarte klooster wordt op naam gezet van de Luthers en hun nakomelingen. Het maakt dat Käthe materieel onafhankelijk wordt. Het harde kloosterleven, de dagindeling, het vroege opstaan is harde noodzaak voor Käthe. Ze geven haar levensritme aan, want behalve voor de eigen kinderen, voor Martin, zichzelf en haar tante Lena heeft zij de zorg en opvoeding voor tenminste elf neefjes en nichtjes op zich genomen. Daarnaast hebben talloze anderen, – armen en vluchtelingen – huisvesting, warmte en eten gekregen in de steeds wisselende kring van het Lutherhuis. Bij die stroom voorbijgangers is er een kring van jongens en mannen: zeker 6 studenten van 13 á 14 jaar (soms meer!), tafel- en studievrienden van Martin, geleerden en niet te vergeten het personeel, bestaande uit enkele vrouwen, de kokkin, koetsier, varkenshoeder, knechten en dagloners. Als je het klooster ziet, begrijp je dat zij er allemaal konden logeren, maar Käthe regeert met straffe hand. Want Luther’s lijfspreuk was, dat God loont wat een mens voor een ander doet, zodat hij zijn schamel onderkomen en brood met iedereen deelde, die er gebruik van wilde maken! Käthe voert de regel in, dat deelnemen aan Luther’s ‘Bursa’ (zeg maar een professorale verplichting: college voor jonge studenten aan de eettafel) betekent: betaling naar draagkracht. Voor de studenten was dat 30 gulden per jaar. Deze etentjes hebben bekendheid gekregen als de z.g. ‘Tischreden’, oftewel tafelgesprekken, die door velen werden opgetekend. De aantekeningen geven vaak persoonlijke indrukken door van de tafelgenoten, maar ook zeker van de vrouw des huizes: Käthe. Zij was geleerd en niet op haar mondje gevallen. Collega’s van de Reformatie vonden haar te eigengereid; een vrouw moest immers nederig zijn!

Vanuit de wereldvreemde beslotenheid van het Cisterciënsterklooster treedt Katharina naar buiten in een leven, waarin als het ware de hele wereld bij haar thuis is. De man met wie zij trouwt, heeft door zijn nieuwe visie op Jezus Christus de ogen van heel Europa op zich gericht. In die binnenste cirkel leeft Katharina 21 jaar naast haar echtgenoot. Niet als een verlengstuk van hem; nee, in dat brandpunt leeft een vrouw, die met haar eigen kwaliteiten van gelijk formaat is als de man, waarmee zij zich met heel haar wezen verbonden weet. De schijnwerpers van de wereld staan ook op haar gericht. Ook zij is een vrouw van formaat! Op de vroege ochtend van 19 februari 1546 ontstaat een interval in haar bedrijvig leven. Melanchton, Bugenhagen en Kreuziger komen op een vreemd vroeg uur, – als het buiten nog donker is – in Käthe’s woning. Haar vrienden vertellen Käthe, dat doktor Luther de dag tevoren (donderdag 18 februari tussen 2 en 3 uur ’s nachts) in Eisleben is overleden. Het bericht is in zekere zin onverwacht; toch mankeerde Luther steeds veel en voelde hij zich de laatste tijd zwak. Er moet een moment van radeloosheid geweest zijn, een overheersend gevoel dat alles afgelopen is. Dat is een veronderstelling na het bericht, dat Käthe de z.g. ‘Bursa’ ontbindt. Luther zal nooit meer het middelpunt van de gesprekken zijn aan haar tafel.

Vijf lange dagen moet de weduwe wachten, totdat eindelijk zijn stoffelijk overschot in Wittenberg aankomt. Käthe moet haar man nu met de hele wereld delen; zijn lichaam is publiek bezit geworden. Een eindeloze rouwstoet trekt in de richting van de slotkapel, waar Luther’s resten vlak voor de kansel worden bijgezet. Zij heeft geen contant geld meer omdat ze vaak geld moest lenen vanwege Luther’s vrijgevigheid, maar gelukkig stuurt de keurvorst 100 gulden. De vorst maakt Luther’s verzuim goed door het testament van Luther op 11 april 1546 te bekrachtigen. De wet komt hij na en de regeling van de voogden voor de kinderen, – die Luther vanwege Katharina persé niet wilde – neemt de vorst nu zelf ter hand. Het was voor die tijd een vreemd testament: Luther gaf alles (ook de opvoeding van de kinderen) aan Käthe! Van maart tot juni duurt het nalatenschap. Daarna volgt de aankoop van het landgoed Wachsdorf. In november moet zij, – net als vele andere stadsgenoten – meetrekken naar Magdeburg, waar de universiteit voor de duur van de oorlog van Smalkalden onderdak zoekt. In het voorjaar keren de vluchtelingen terug naar Wittenberg. De legers van de keurvorst en de hertog hebben geen beslissende slag geleverd. De schade toegebracht aan elkaars land is groot. Niet lang durft Käthe in haar stad te blijven. Op 24 april verslaan de troepen van de keizer die van de keurvorst en Johann Frederik wordt gevangen genomen. Weer vlucht Käthe, – samen met Walpurga Bugenhagen – en haar kinderen. Käthe is ontmoedigd. Ze heeft de verwoestingen rond Wittenberg gezien. Haar bezit, – voor zover het buiten de stad ligt – is verbrand en verwoest. Ze zal alles moeten opbouwen, daarom besluit ze een heenkomen te zoeken bij de haar welgezinde koning Christian III van Denemarken. Käthe trekt een tijd noordwaarts, maar het rondzwervend krijgsvolk dwingt hen terug te gaan naar Braunschweig. Eind mei komen er berichten, dat de vluchtelingen naar Wittenberg terug kunnen. De schade daar is beperkt. Haar bezit, het zwarte klooster en de inventaris is behouden gebleven. Maar het wordt geen vrolijke reis door wat er onderweg allemaal is te zien.

Käthe heeft de vitaliteit steeds opnieuw aan het werk te gaan, te rekenen en te herbouwen. Ze gaat verstandig te werk, leent geld, maar neemt geen risico. Nieuwe tegenslagen volgen in de vorm van kwade en kwaadsprekende buren. Was het niet genoeg dat er vele oorlogsbeschadigingen waren; nu volgen er verschillende processen. Een landheer maakt aanspraak op haar bezit Zolsdorf. De processen duren van 1648 tot 1552. Langzamerhand vergeten mensen, die haar man naar de ogen hebben gekeken, het bestaan van zijn vrouw. Tussen alle onrust van oorlog en processen, verdriet en teleurstellingen zorgt zij verder voor haar kinderen. Haar laatste dagen kondigen zich onverwachts en tragisch aan. In de zomer van 1552 slaat de pest weer toe. De universiteitsstad loopt leeg. Begin juni biedt de stadsraad van Torgau de universiteit onderdak aan, waar de colleges op 17 juli worden voortgezet. Käthe blijft in Wittenberg tot in september ook in het zwarte klooster de eerste slachtoffers vallen. Met paard en wagen volgt zij met haar kinderen de weg, vanwaar ze 29 jaar geleden kwam aangereden. Op diezelfde weg steigeren de paarden, en terwijl Käthe springt om ze vast te houden, komt ze in het ijskoude water langs de weg terecht. Als Katharina tenslotte in Torgau aankomt, is zij een verlamde vrouw. Op 20 december 1552 is haar leven voorbij. Naast haar vertrouwen in Christus schildert Melanchton haar aan God overgegeven geduld op haar ziekbed. Katharina von Bora wordt begraven in de kerk, die in 1243 aan het Cisterciënsterklooster werd geschonken. Nog steeds rust haar gebeente daar onder de stenen vloer tussen doopvont en kansel. De kinderen hebben aan de muur haar grafsteen laten maken en haar levensgroot afgebeeld. Op de steen staat: “Anno 1552 den 20. Dezember ist in Gott selig entschlaffen alhier zu Torgau Herrn D. Martini Luthers seligen Hindergelassene wittbe Katharina”. De nalatenschap van Käthe en Martin wordt op 5 april 1554 onder hun vier kinderen verdeeld. De oudste zoon Hans is na zijn studie verbonden aan de kanselarij in Weimar in dienst van de teruggekeerde vorst Johann Frederik. Martin studeert theologie en Paul wordt arts. Hij doceert later aan de universiteit van Jena. Magarete trouwt in 1554 met de jonge, rijke, oost-pruisische edelman Georg von Kunheim.