Het Lutherlied

“Een vaste burcht is onze God”

  1. Een vaste burcht is onze God,
    een toevlucht voor de Zijnen!
    Al drukt het leed, al dreigt het lot,
    Hij doet zijn hulp verschijnen!
    De vijand rukt vast aan
    met opgestoken vaan;
    hij draagt zijn rusting nog
    van gruwel en bedrog,
    maar zal als kaf verdwijnen!
  2. Geen aardse macht begeren wij,
    die gaat welras verloren.
    Ons staat de sterke Held ter zij,
    dien God ons heeft verkoren.
    Vraagt gij zijn naam? Zo weet,
    dat Hij de Christus heet,
    Gods eengeboren Zoon,
    verwinnaar van de troon:
    de zeeg’ is ons beschoren!
  3. En grimd’ ook d’open hel ons aan
    met al haar duizendtallen,
    toch zal geen vrees ons nederslaan,
    toch doen wij `t krijgslied schallen.
    Hoe ook de satan woedt,
    wij staan hem voet voor voet,
    wij tarten zijn geweld;
    zijn vonnis is geveld:
    één woord reeds doet hem vallen!
  4. Gods Woord houdt stand in eeuwigheid
    en zal geen duimbreed wijken.
    Beef, satan! Hij, die ons geleidt,
    zal u de vaan doen strijken!
    Delf vrouw en kind’ren `t graf,
    neem goed en bloed ons af,
    het brengt u geen gewin:
    wij gaan ten hemel in
    en erven koninkrijken!

Dit lied is door Maarten Luther gemaakt met de bijbeltekst van Psalm 46 in gedachten:

  1. Een lied voor de kinderen van Korach, om voor te zingen. Van de jeugd.
  2. God is onze toeverlaat en sterkte, ene hulp in de grote noden, die ons getroffen hebben.
  3. Daarom vrezen wij niet, ofschoon de wereld onderging, en de bergen midden in de zee verzonken;
  4. ofschoon de zee raasde en bruiste, en door hare onstuimigheid de bergen invielen. Sela.
  5. Nochtans zal de stad Gods zich verblijden in hare fonteinen, waar de heilige woningen des Allerhoogsten zijn.
  6. God is in haar midden, daarom zal zij vast blijven; God helpt haar, eer de morgen aanbreekt.
  7. Volken moeten versagen en koninkrijken vallen; het aardrijk moet vergaan, wanneer Hij zich laat horen.
  8. De Heer Zebaoth is met ons, de God Jakobs is onze beschutting. Sela.
  9. Komt herwaarts en aanschouwt de daden des Heren, die op de aarde zulke verwoestingen aanricht;
  10. die de oorlogen stuit in de gehele wereld, die den boog verbreekt, de spies in stukken slaat, en de wagens met vuur verbrandt.
  11. Weest stil, en erkent, dat Ik God ben; Ik wil eer behalen onder de volken, Ik wil eer behalen op de aarde.
  12. De Heer Zebaoth is met ons, de God Jakobs is onze beschutting. Sela.