Laatste levensjaren (1540-46)

“Ik ben zwak, ik kan niet meer.”
In de laatste levensjaren heeft Luther met verschillende lichamelijke kwalen te kampen. Bovendien treft hem het sterven van zijn dochter Magdalena in 1542 zwaar. Luthers verhouding tot anders gelovenden, vooral tegenover de Joden, verslechtert in deze jaren zeer. Heeft hij in 1523 nog met het geschrift “Dat Jezus een geboren Jood is!” een verzoenende houding getoond, de ouder wordende Reformator veroordeelt nu allen, die zich niet laten bekeren. Vanuit deze stemming zou ook in 1543 het sterk antijoodse geschrift “Over de Joden en hun leugens” ontstaan kunnen zijn.
De strijd tegen de vijanden van de Reformatie voert Luther ook in de laatste jaren aan. Met het geschrift “Tegen het door de duivel gestichte pausdom van Rome!” deelt hij zijn laatste slag tegen de Rooms Kerk uit. Luther zet zijn preekactiviteiten echter ondanks allerlei teleurstellingen en zijn vele lijden voort. Zijn docentschap aan de Wittenbergse Universiteit zet hij eveneens tot aan het einde van zijn leven voort, het laatste college eindigt echter met de woorden: “Ik ben zwak, ik kan niet meer.”

Luthers sterven (1546)

De door ziekten getekende Luther vertrekt op de 17e januari 1546 voor de laatste reis van zijn leven naar zijn geboortestad Eisleben, om daar verschillen van mening binnen de familie van de Mansfelder graven te beslechten. De onderhandelingen eindigen succesvol. Luther heeft echter niet meer de kracht om naar Wittenberg terug te keren. Hij sterft op de 18e februari 1546 te Eisleben. Op het sterfbed bidt hij: “In Uw handen beveel ik mijn geest. Gij hebt mij verlost, Heere, Gij trouwe God.”
Nadat de kist met zijn stoffelijk overschot twee dagen in Eisleben opgebaard heeft gestaan, wordt hij via Halle en Bitterfeld naar Wittenberg overgebracht. Op de 22e februari wordt Luther in de Slotkapel te Wittenberg bijgezet, de toespraak bij het graf houdt Johannes Bugenhagen.