Terugkeer naar Wittenberg (1522-25)

Luther keert naar Wittenberg terug en neemt het “stuur van de Reformatie” over Na de eerste “beeldenstorm” in Wittenberg keert Luther uit de verbanning terug. Hij schroeft zelfs enige vernieuwingen terug, omdat hij het gevaar ziet, dat de mensen tot het nieuwe geloof gedwongen worden. Dit wil hij echter verhinderen.
Luther komt op 6 maart 1522 naar Wittenberg en brengt met zijn “vastenpreken” de beweging van de Reformatie, die hij in het radicale zag afglijden, weer terug op zijn gematigde lijn. Weliswaar is de terugkeer van de gebannene gevaarlijk, maar de hervormers bereiken met het oog op Luthers veiligheid gedeeltelijk verdere successen: de 2e Neurenberger Rijksdag verklaart dat de ban tegen Luther niet ten uitvoer gebracht kan worden. Weliswaar wordt in 1524 op de 3e Neurenberger Rijksdag deze ban vernieuwd, maar de Reformatie had zich op dat moment al zo gevestigd, dat een arrestatie van Luther nu heel erg onwaarschijnlijk is. In de volgende jaren begint Luther door geschriften en preken zijn leer in de praktijk om te zetten. In het geschrift “Over de wereldlijke regering, hoe men deze gehoorzaamheid verschuldigd is” formuleert Luther de uitgangspunten van zijn politieke ethiek, in dit werk komt opnieuw de gematigde instelling van Luther aan de dag.

In de jaren 1522 tot 1524 moet vooral de activiteit van Luther met betrekking tot preken genoemd worden. Hij reist om te preken heel Middenduitsland door, zoals in de herfst van 1522 zelfs in Erfurt en Weimar. Hij acht het een heel belangrijke opgave om de mensen het Evangelie te verkondigen en uit te leggen. Ook voert Luther met het geschrift “Over de orde van dienst in de gemeente” en “Formula missae” (Vorm van de mis) de reeds eerder voorgenomen hervorming van de kerkdienst in.

De nieuwe sociale orde wordt met de invoering van de “algemene kas” bereikt. De gemeentelijke sociale en onderwijsverplichtingen worden door het in beslag nemen van het vermogen van de oude kerk gefinancierd.
De nieuwe regeling van het schoolwezen is een van de meest dringende opgaven van Luther. Omdat voor zijn terugkeer heel wat professoren en scholieren met hun uitleg van Luthers leer het onderwijs volledig hadden lam gelegd. De reformator heeft echter goed opgeleide predikanten, leraars en ambtenaren dringend nodig. In het geschrift “Aan de raadsheren van de steden van het Duitse land, dat ze Christelijke scholen zullen oprichten en in stand zullen houden” verplicht hij de overheid goed onderwijs voor de jeugd te garanderen.

Luther en de Boerenoorlog

Thomas Münzer

Thomas Münzer

Nu ontstaat een nieuwe tegenpartij van de Reformatie. Deze keer zijn het de radicale krachten uit de eigen gelederen, die door Luther Schwarmer en Rottengeister genoemd worden. Thomas Münzer, priester en voormalige aanhanger van Luther, wordt in 1525 de leider van de boerenbeweging in Middenduitsland, die reeds in het jaar 1524 in het Zuidwesten ontstaan was. Deze krachten, die zich op Luther beriepen, eisen betere (economische) verhoudingen, ook door het omverwerpen van de overheden. In zijn preken, die hij ook in het gebied van de opstand zelf hield, keert Luther zich tegen iedere vorm van geweld. Hij oogst hiermee echter van de kant van de boeren, die op zijn steun gehoopt hadden, alleen maar afwijzing. Luther roept van zijn kant de mensen er toe op, zich van de geestelijke willekeur van de overheid te bevrijden, maar niet van de economische en politieke. Zo onstaat het felle geschrift “Tegen de moord en roofzuchtige benden van de boeren”, dat tot nu toe een van de meest omstreden geschriften van de Reformator is. De boeren lijden echter op 15 mei 1525 in de slag bij Frankenhausen een vernietigende nederlaag.