Engelen

"De Kroon des Levens" (1648) door Joris van Schooten

"De Kroon des Levens" (1648) door Joris van Schooten

In de lutherse kerk hangen negen schilderijen die in de eerste helft van de zeventiende eeuw zijn aangebracht. Dat deze schilderijen er zijn is waarschijnlijk een unicum voor een protestantse kerk uit die tijd. Vier van deze schilderijen zijn van de hand van de leidse schilder Joris van Schooten.
Het negende en laatste schilderij geeft “De Kroon des Levens” weer, en in het hart daarvan vliegen de engeltjes waarop u zojuist geklikt hebt.

Na het vorig schilderij (“Het laatste Oordeel”) is voor het weergeven van de vreugde het hele laatste paneel bewaard. Toch heeft de schilder ook in het beeld van de eeuwigheid een verbinding willen leggen met de aardse tijd: als een element van verrassing is, in de rechter bovenhoek, de aankomst voorgesteld van een mens die “de loop goed heeft volbracht”. Gekleed in de witte mantel, de palmtak van de overwinning met de rechterhand vast tegen zich aangedrukt, kijkt hij wat verbaasd in deze nieuwe omgeving naar een engel die op hem af vliegt om hem de Kroon des Levens toe te reiken. Het is een klein, maar sprekend tafreel, waar aller ogen op zijn gericht en waar het volle licht op valt; toch vormt het maar een onderdeel van het vreugdevolle hemelse leven, dat overigens dit paneel vult.

De meeste aandacht trekt de krans van zwevende en om elkaar tuimelende engeltjes in het midden en, achter die schare op het eerste plan, naar de diepte toe steeds kleinere, in de verte vervagende, dansende figuurtjes. Rondom deze doorkijk in de oneindigheid zitten op of tegen de wolkformaties die haast aan rotsen doen denken, grote figuren en, links boven, een paar mensen: men zou zeggen nieuw aangekomenen, voor wie misschien de beide lauwerkransen bedoeld zijn die één van de engeltjes in de vreugdedans voor zich uit houdt. Dit tweetal, dat nog niet aan deze nieuwe wereld gewend lijkt, leunt over een donkere rand wolken, de voorste in een goudgele mantel, de ander donker gekleed. Zij kijken gespannen toe, evenals een grote engel die met gevouwen handen naast hen zit. Overal komen tussen de plooien van het gewaad, om de figuren en uit de wolken engelenkopjes te voorschijn.

Op een wolkenrand aan de rechterzijde is een musicerend groepje afgebeeld, twee vrouwen, één met een luit, de ander met luit of met mandoline; een jonge man begeleidt hen met zijn fluit en achter hen zien wij nog twee vrouwen, zingend en fluitend. Er is veel aandacht besteed aan de plooien in de goudgele mantel van de voorste vrouw rechts en in het ruimvallende, rozerode kleed van de engel links.

Onder de wijde hemelboog zitten in verschillende rijen de gelukzaligen; de voorste rijen meer sprekend van kleur, verder naar achteren kleiner van gestalte en lichter van tint. Opmerkelijk is de groep in de linker benedenhoek, een man en een vrouw, spelend op een viool en op een cello of bas; zij komen als individuen uit de rijen naar voren door hun proporties en door hun houding. Wat verder naar rechts is in de groep van kleine gestalten een merkwaardige figuur: een harpspeler met een zware grijze baard die, met zijn omhooggeslagen ogen, herinnert aan het eeuwenoude traditionele beeld van de blinde zanger (afb. 19); hij wordt door de man vóór hem op een fluit begeleid. Nog iets verder naar rechts zit een vrouw, van achteren gezien, die met geheven hand de maat lijkt te slaan, en voor haar ligt een tweede vrouw, rustig luisterend, languit. In de lichtere rij daarachter is een figuur, die zijn palmtak omhoog zwaait.

De donkere wolk, waarop zij allen zitten, sluit het paneel langs de benedenrand af; deze donkere rand lijkt tevens de afscheiding die, van beneden gezien, het hemelse leven voor de ogen der mensen op aarde verborgen houdt. In de donkere hoek rechts beneden, waar een paar lichte koppen uit de zwarte wolk te voorschijn komen, zijn de signatuur en de datum te vinden: J V Schooten fe ao 1640. Wat verder naar rechts is de rechterhelft afgebeeld van een klein geheel wit figuurtje, frontaal gezien en met opgetrokken knieën.

(Uit: Beeld en Gelijkenis; Schilderingen in een Schuilkerk)