Het Zegel

De geschiedenis van de gemeente in Leiden begint in 1586-1587: er worden dan al lutherse samenkomsten gehouden. De eerste vaste predikant komt er in 1592: Bernardus Muijkens. Hij wordt in 1596 door de gereformeerde magistraat uit de stad verbannen wegens een leergeschil over de erfzonde, maar keert – eerst heimelijk, maar in 1606 officieel – terug.

Het is denkbaar dat het zegel van deze gemeente Leiden al uit deze eerste tijd dagtekent en dat Muijkens op het ontwerp ervan invloed heeft uitgeoefend. Het is een bijzonder mooi zegel en het wordt gelukkig nog altijd gebruikt. Het is mooi zowel wat de symboolwaarde als wat de uitvoering ervan betreft.

(Vroeger werden te versturen brieven met rode schellak dichtgemaakt, en dan werd het zegel in de nog warme lak gedrukt. Het zegel diende dus als een soort “handtekening” en ter controle dat de enveloppe niet onderweg geopend werd.
Dat laatste gebeurt nu natuurlijk niet meer. Het zegel staat nog wel op het briefpapier van de gemeente Leiden.)

Zoals meer zegels uit de zeventiende eeuw behelst het een aan de Openbaring van Johannes ontleend beeld: de overwinnende Mensenzoon, met een stralenkrans om het hoofd, in de mond een tweesnijdend zwaard, in (hier om) de rechterhand zeven sterren. Hij staat in een tot aan de voeten reikend gewaad, een gordel om de heupen, temidden van de zeven kandelaren. Aan zijn voeten ligt de ziener van Patmos, Johannes met gevouwen handen aanbiddend neergeknield (Openbaring 1:12-18). Met dit beeld worden de zeven Klein-Aziatische gemeenten voorgesteld als zeven kandelaren en hun voorgangers als zeven sterren. De gemeente Kolosse ontbreekt: zij was door een zware aardbeving in 66 na Chr. verwoest.

Het is denkbaar te achten dat de keus van dit zegel door Muijkens is ingegeven door het feit dat tijdens de eerste lutherse synode op 30 augustus 1605 in Amsterdam zeven lutherse gemeenten als gevestigd beschouwd konden worden – namelijk Amsterdam, Haarlem, Leiden, Woerden, Gouda, Rotterdam en Middelburg – en ook ter synode vertegenwoordigd werden door hun onderscheiden voorgangers, te weten Adolf Fischer, Johannes Willemse, Johann Cremer, Bernardus Muijkens, Arnold Glazer, Andreas Nesscher en Samuel Schultz. Zo komt Schultz Jacobi (onderzoeker naar Nederlands kerkzegels,1844) tot zeven kandelaren en zeven sterren als een tijdsbeeld van de lutherse kerk in die dagen.

Het zegel zou, als dit juist is, dagtekenen van 1605 of kort daarna. Het randschrift luidt: SIGILLUM. LUTHERANAE. ECCLESIAE. LEYDENSIS * (Zegel der lutherse gemeente Leiden), waarbij het opvalt dat, in tegenstelling tot andere zegels waarin sprake is van de (Onveranderde) Augsburgse geloofsbelijdenis, hier – dus al zeer vroeg – het adjectief ‘luthers’ gebezigd is.

(Uit: Lutherse Kerkzegels in Nederland; J.K. Schendelaar)